Conclusie
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
BNB2000/94 [10] af dat voor de toepassing van de belastingverdragen van een formeel (statutair) bestuurdersbegrip dient te worden uitgegaan. Voor de door belanghebbende voorgestane materiële uitleg van het bestuurdersbegrip is naar het oordeel van de Rechtbank dan ook geen plaats.
3.Het geding in cassatie
4.Belastingheffing over beloningen verkregen in de hoedanigheid van bestuurder
Art. 16 OESO Pro-modelverdrag
Klaus Vogel on Double Taxation Conventionsis hierover het volgende opgemerkt, ook met betrekking tot het Verdrag Nederland-Zwitserland 2010: [29]
Klaus Vogel on Double Taxation Conventionsis hierover het volgende opgemerkt: [41]
BNB2004/344, [46] waarin de Hoge Raad – in navolging van het arrest van 1997 – oordeelde dat een ontslagvergoeding slechts kan worden aangemerkt als beloning in de zin van art. 16 OESO Pro-modelverdrag indien en voor zover deze ten laste is gekomen van de vennootschap waarvan de ontvanger bestuurder is, [47] het volgende op: [48]
BNB1997/298 – op: [49]
5.Beoordeling van de klachten
Middel 1
BNB2014/38. [53] In dat arrest ging het om nagekomen baten van een inwoner van Nederland die eerder onderzoeksactiviteiten (buiten dienstbetrekking) in het VK had verricht. Ten tijde van zijn onderzoeksactiviteiten woonde de betreffende belanghebbende in België dan wel in het VK. In geschil was of Nederland over de nagekomen baten mocht heffen. De Hoge Raad oordeelde dat de belanghebbende voor de toepassing van het belastingverdrag tussen Nederland en het VK het onderzoek in het VK heeft verricht vanuit een vast middelpunt. De band met het VK heeft tot gevolg dat de belastingheffing over de nagekomen baten aan het VK is toegewezen, maar staat er niet aan in de weg dat Nederland de nagekomen baten in de wereldwinst betrekt onder verlening van voorkoming van dubbele belasting.
facta praeterita), maar wel met overlopende rechtsposities (
facta pendentia) en anterieure onvoltooide feiten (
facta in statu nascendi).
BNB1979/307 ging het eveneens om de vraag welk verdrag van toepassing was bij opeenvolgende verdragen. [60] Deze zaak betrof een in Nederland gevestigde N.V. met een vi in België. Onder het oude verdrag met België uit 1933 had deze vennootschap verliezen geleden met haar vi. Onder het nieuwe verdrag met België uit 1970 behaalde de vennootschap een vaste inrichtingswinst (‘vi-winst’). Het oude verdrag kende geen inhaalregeling voor buitenlandse vaste inrichtingsverliezen, terwijl het nieuwe verdrag met België uit 1970 dit wel kende. In geschil was of de inhaalverliezen in mindering konden worden gebracht op de vrij te stellen vi-winst. De Hoge Raad oordeelde dat het nieuwe verdrag en het daarvan een integrerend deel uitmakende protocol geen steun boden aan de stelling van belanghebbende dat geen rekening mocht worden gehouden met de verliezen die waren behaald onder het oude verdrag.
BNB1997/289 bevestigde de Hoge Raad het oordeel van Hof Amsterdam dat tussen de werkzaamheden als bestuurder van de dochterondernemingen en het door de bestuurder van de moedermaatschappij ontvangen salaris enerzijds en de door die dochterondernemingen aan de moedermaatschappij betaalde vergoeding voor concernkosten anderzijds, onvoldoende direct verband bestond om voor een deel van het salaris te kunnen spreken van een beloning die als zodanig aan de bestuurder door of namens de dochterondernemingen is betaald (zie onderdelen 4.20 en 4.21).