Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep betreffende een besluit van de Sociale verzekeringsbank op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Het cassatieberoep bevatte acht middelen die volgens belanghebbende tot vernietiging van het bestreden arrest moesten leiden.
De Hoge Raad beoordeelde de middelen aan de hand van artikel 53, lid 1, van de AOW, dat cassatie mogelijk maakt bij schending of verkeerde toepassing van bepaalde artikelen van de AOW. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat de middelen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling noodzaakten.
Verder wees de Hoge Raad een veroordeling in proceskosten af wegens het ontbreken van daartoe gronden. Het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2013.