ECLI:NL:HR:2013:BW5378
Hoge Raad
- Cassatie
- J.A.C.A. Overgaauw
- D.G. van Vliet
- E.N. Punt
- C.H.W.M. Sterk
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad stelt prejudiciële vraag over weigering btw-nultarief bij fraude
Belanghebbende, een groothandel in telecomapparatuur, paste het nultarief toe op leveringen van mobiele telefoons aan buitenlandse ondernemers in 2001. Na een boekenonderzoek en strafrechtelijk onderzoek tegen de directeur, stelde de Inspecteur een naheffingsaanslag omzetbelasting op wegens vermeende btw-fraude.
De rechtbank en het hof verklaarden het beroep van belanghebbende ongegrond en oordeelden dat geen sprake was van echte intracommunautaire leveringen en dat belanghebbende willens en wetens betrokken was bij btw-fraude. Het hof verwierp ook het beroep op een beleidsmededeling vanwege het ontbreken van zorgvuldigheid.
De Hoge Raad constateerde onduidelijkheden en onvoldoende motivering in het oordeel van het hof, met name over de bewijsvoering en de betrokkenheid bij fraude. Daarom stelde de Hoge Raad prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie over de vraag of nationale autoriteiten de btw-vrijstelling moeten weigeren bij objectieve vaststelling van fraude, ook als de nationale wet dat niet regelt.
De Hoge Raad schorst het geding en wacht de uitspraak van het Hof van Justitie af, waarmee de rechtsvraag over de directe werking van het EU-btw-recht en de weigering van het nultarief bij fraude centraal staat.
Uitkomst: De Hoge Raad houdt de zaak aan en stelt een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie over de toepassing van het btw-nultarief bij fraude.