Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2013:BY4238

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 mei 2013
Publicatiedatum
27 juni 2013
Zaaknummer
10/05426
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 VluchtelingenverdragArt. 231 SrArt. 440 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt oordeel hof over niet-ontvankelijkheid OM bij vluchteling met vervalste documenten

De zaak betreft een verdachte die als vluchteling onmiskenbaar op doorreis was en werd vervolgd voor het gebruik van een vervalst vluchtelingenpaspoort. Het hof oordeelde dat de verdachte de bescherming van artikel 31 van Pro het Vluchtelingenverdrag niet toekwam, omdat hij zich niet onverwijld bij binnenkomst of binnen vijf dagen verblijf in Nederland bij de autoriteiten had gemeld.

De Hoge Raad stelt dat deze uitleg van artikel 31 Vluchtelingenverdrag Pro onjuist is. Deze bepaling beschermt vluchtelingen tegen vervolging wegens illegale binnenkomst of verblijf, ook als zij gebruikmaken van vervalste documenten, mits zij zich zonder onnodige vertraging bij de autoriteiten melden. Het ontbreken van een onverwijlde melding of asielaanvraag in Nederland kan niet leiden tot ontzegging van deze bescherming wanneer het land van toevlucht elders is.

Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling. Hiermee wordt bevestigd dat vluchtelingen die doorreizen en zich niet direct melden, toch de bescherming van het Vluchtelingenverdrag kunnen genieten. Dit arrest verduidelijkt de reikwijdte van artikel 31 Vluchtelingenverdrag Pro in strafzaken.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling vanwege een onjuiste uitleg van artikel 31 Vluchtelingenverdrag.

Uitspraak

28 mei 2013
Strafkamer
nr. S 10/05426
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 9 december 2010, nummer 20/000458-09, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld namens de verdachte. Namens deze heeft mr. Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv Pro gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1. Het middel klaagt over de verwerping door het Hof van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op grond van art. 31, eerste lid, Vluchtelingenverdrag.
2.2. Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
"hij op of omstreeks 9 maart 2008 te Eindhoven opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een niet op zijn naam gesteld reisdocument, te weten een vluchtelingenpaspoort van Nederland, voorzien van het nummer [001], op naam van [betrokkene 1], welk gebruik hierin bestond stond dat hij, verdachte, voornoemd reisdocument heeft overhandigd aan [verbalisant 1], wachtmeester der Koninklijke Marechaussee die belast was met paspoortcontrole op Eindhoven Airport."
2.3. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:
"Met een beroep op artikel 31 van Pro het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) is namens verdachte de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit omdat deze bepaling een vervolgingsbelemmering oplevert.
Op basis van de processtukken gaat het hof ervan uit dat de verdachte op 9 maart 2008 vluchteling was. Artikel 31 van Pro het Vluchtelingenverdrag werpt blijkens de rechtspraak een vervolgingsbelemmering op, ook als de vluchteling op zijn vlucht gebruik maakt van een niet op zijn naam gesteld reisdocument.
Het hof leidt uit de verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 25 november 2010 af dat hij zijn thuisland, Somalië, is ontvlucht en via onder meer een hem onbekend Arabisch land per vliegtuig naar Nederland is gereisd, alwaar hij op 4 maart 2008 is aangekomen. Hij heeft bij die reis gebruik gemaakt van valse/vervalste identiteitspapieren. Hij heeft zich bij aankomst in Nederland niet als vluchteling bij de autoriteiten gemeld.
Vervolgens heeft verdachte vijf dagen in Nederland verbleven. Door een hem tijdens zijn gehele reis vergezellende persoon is hem het in de tenlastelegging genoemde vluchtelingenpaspoort overhandigd. Verdachte was voornemens met gebruikmaking van dat paspoort Nederland vanaf Eindhoven Airport uit te reizen naar de tussenbestemming Dublin, Ierland, om van daar uit naar zijn eindbestemming Londen, Engeland, door te reizen. Op Eindhoven Airport heeft hij bedoeld vluchtelingenpaspoort overhandigd aan een wachtmeester van de Koninklijke Marechaussee, waarna hij is aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 231 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 31 van Pro het Vluchtelingenverdrag eist dat een vluchteling zich bij binnenkomst of verblijf in een veilig land onverwijld bij de autoriteiten meldt. Verdachte heeft die op hem rustende verplichting niet nageleefd.
Het hof verwerpt dan ook het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie."
2.4. Art. 31, eerste lid, van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Verdrag van 28 juli 1951, Trb. 1951, 131 en 1954, 88; hierna: Vluchtelingenverdrag) luidt:
"The Contracting States shall not impose penalties, on account of their illegal entry or presence, on refugees who, coming directly from a territory where their life or freedom was threatened in the sense of article 1, enter or are present in their territory without authorization, provided they present themselves without delay to the authorities and show good cause for their illegal entry or presence."
2.5.1. Blijkens zijn hiervoor in 2.3 weergegeven overwegingen is het Hof ervan uitgegaan dat de verdachte op 9 maart 2008 vluchteling was, dat de verdachte zijn thuisland Somalië is ontvlucht en via onder meer een hem onbekend Arabisch land naar Nederland is gereisd, alwaar hij op 4 maart 2008 is aangekomen, dat hij bij zijn reis gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste identiteitspapieren, dat de verdachte voornemens was vanaf Eindhoven Airport met gebruikmaking van het hem in Nederland overhandigde, in de tenlastelegging vermelde, (valse) paspoort Nederland uit te reizen naar de tussenbestemming Dublin, Ierland, om vandaar door te reizen naar zijn "eindbestemming" Londen, Verenigd Koninkrijk, en dat hij op Eindhoven Airport dit paspoort heeft overhandigd aan de Koninklijke Marechaussee.
Aldus heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte zich als vreemdeling in het kader van zijn vlucht in Nederland heeft bevonden, terwijl hij onmiskenbaar op doorreis was naar (uiteindelijk) het Verenigd Koninkrijk als land van toevlucht.
2.5.2. In zodanig geval kan de verdachte, die zich tegen zijn vervolging ter zake van het in art. 231 Sr Pro omschreven strafbare feit verweert met een beroep op de bescherming die art. 31 Vluchtelingenverdrag Pro beoogt te bieden, deze bescherming niet worden ontzegd op de enkele grond dat hij zich in Nederland niet onverwijld bij de autoriteiten heeft gemeld of in Nederland geen asielaanvraag heeft gedaan, waar hem in het land van toevlucht de bescherming van deze verdragsbepaling zou zijn toegekomen. Een andere uitleg van deze bepaling zou onvoldoende recht doen aan de bedoeling van art. 31 Vluchtelingenverdrag Pro om vluchtelingen te vrijwaren van vervolging wegens "illegal entry or presence" en het daarmee samenhangende bezit van valse identiteitspapieren en zou de met die bepaling beoogde bescherming van vluchtelingen ernstig tekortdoen.
2.5.3. Het oordeel van het Hof dat de verdachte, die als vluchteling onmiskenbaar op doorreis was en wordt vervolgd ter zake van het in het kader van zijn vlucht in het bezit hebben of aangewend hebben van vervalste documenten, de bescherming van art. 31 Vluchtelingenverdrag Pro ontbeert op de grond dat hij bij binnenkomst of bij zijn verblijf gedurende vijf dagen in Nederland zich niet onverwijld bij de autoriteiten heeft gemeld, geeft dus blijk van een onjuiste opvatting omtrent die verdragsbepaling. Daarop heeft het Hof zijn verwerping van het beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging dan ook niet kunnen baseren.
2.6. Het middel is terecht voorgesteld.
3. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het tweede middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan, Y. Buruma, J. Wortel en N. Jörg, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2013.