ECLI:NL:PHR:2012:BY4238
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over toepassing artikel 31 Vluchtelingenverdrag bij vluchteling in doorreisland
In deze zaak stond centraal of een vluchteling die zich in een doorreisland bevindt en zich niet onverwijld bij de autoriteiten meldt, toch de bescherming van artikel 31 van Pro het Vluchtelingenverdrag kan genieten. De verdachte, afkomstig uit Somalië, was via een Arabisch land naar Nederland gereisd en verbleef daar vijf dagen voordat hij probeerde door te reizen naar Londen met een vervalst vluchtelingenpaspoort. Het hof had geoordeeld dat omdat de verdachte zich niet onverwijld had gemeld bij aankomst, hij niet onder de bescherming van artikel 31 viel Pro en verklaarde het Openbaar Ministerie ontvankelijk.
De Hoge Raad stelt dat het hof een te beperkte uitleg heeft gegeven aan artikel 31 lid 1 van Pro het Vluchtelingenverdrag. Uit internationale literatuur en jurisprudentie, waaronder zaken uit het Verenigd Koninkrijk, blijkt dat vluchtelingen die op doorreis zijn en in een transitland worden aangehouden, niet worden uitgesloten van de bescherming van artikel 31, ook als zij zich niet onverwijld melden bij de autoriteiten van dat land. Dit volgt ook uit het voorwerp en doel van het verdrag, dat beoogt vluchtelingen aan te moedigen hun status zo snel mogelijk te regelen, maar erkent dat doorreizende vluchtelingen hun asielstatus in het land van eindbestemming willen regelen.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en oordeelt dat de verdachte wel de bescherming van artikel 31 Vluchtelingenverdrag Pro toekomt. Daarnaast is het beroep op overschrijding van de redelijke termijn niet verder besproken omdat het eerste middel slaagt. De zaak wordt terugverwezen voor een nieuwe beoordeling in lijn met deze overwegingen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en bepaalt dat de verdachte de bescherming van artikel 31 Vluchtelingenverdrag toekomt ondanks het niet onverwijld melden in Nederland.