Conclusie
mededeling van voornoemde verbalisant:
2. Een geschrift, zijnde Gemeenteblad van de gemeente Amsterdam, Nr. 90914 van 1 oktober 2015 bevattende Messenverbod (3B, 2015, 194)
BewijsoverwegingDe raadsman heeft vrijspraak bepleit en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De onderhavige verbodsbepaling is niet van toepassing indien het mes niet geschikt is voor onmiddellijk gebruik. Primair dient de verdachte vrijgesproken te worden omdat uit het dossier niet blijkt hoeveel tijd het de verdachte zou kosten om het mesje te pakken, zodat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte het mesje onmiddellijk zou kunnen hebben gebruiken. Subsidiair omdat om het lemmet een rubberen schede zat en de verdachte het mes in zijn tas bewaarde, zodat het mesje om deze reden niet geschikt was voor onmiddellijk gebruik.
andere zaken die als steekwapen kunnen worden gebruikten dus niet van toepassing is.
Artikel 2.5 Messen en steekwapens1. Het is verboden op door de burgemeester aangewezen wegen, met inbegrip van daaraan gelegen voor publiek toegankelijke gebouwen, messen of andere zaken die als steekwapen kunnen worden gebruikt bij zich te hebben.
2. Het verbod geldt niet voor wapens als bedoeld in artikel 2 van Pro de Wet wapens en munitie en evenmin voor andere zaken die als steekwapen kunnen worden gebruikt mits deze zaken zodanig zijn ingepakt dat zij niet geschikt zijn voor onmiddellijk gebruik.”
Artikel 2.5 Messen en andere voorwerpen als steekwapen
Messenverbod (3B, 2015, 194)[..]
Gelet op artikel 2.5 van de Algemene Plaatselijke Verordening
I te bepalen dat het in de hierna onder II aangewezen gebieden verboden is messen of andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt bij zich te hebben, tenzij deze zodanig zijn ingepakt dat deze niet voor dadelijk gebruik kunnen worden aangewend;
c. Het gebied in Amsterdam Centrum”
derde middel. [3] Het middel bevat de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte een mes “bij zich droeg” in de zin van art. 2.5 APV.
dragen.Art. 2.5 APV rept echter van bij zich
hebben.De bewezenverklaring houdt dienovereenkomstig in dat de verdachte het mes bij zich heeft
gehad.Kennelijk heeft de klacht betrekking op het bewijs van dit bij zich hebben.
eerste middelklaagt in de kern dat het hof art. 2.5 APV in het licht van art. 149 Gemeentewet Pro en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur ten onrechte verbindend heeft geoordeeld. Het
tweede middelbehelst de klacht dat het hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de genoemde APV-bepaling door te oordelen dat de in het tweede lid op het verbod van het eerste lid gegeven uitzondering voor (kort gezegd) ingepakte zaken niet geldt voor messen, maar slechts voor andere zaken die als steekwapen kunnen worden gebruikt. De middelen bespreek ik in onderling verband met elkaar.
alletoepassingsgevallen te invasief waren, maar ook wanneer de bepaling zo ruim was geformuleerd dat daaronder
bepaaldegedragingen zouden (kunnen) vallen waarbij het openbaar belang in generlei opzicht was betrokken. [13] Voor het oordeel of een strafbepaling van gemeenterecht in dit opzicht te ruim is, kan tevens van belang zijn in hoeverre aan de strafbepaling excepties zijn verbonden die de strafbaarheid uitsluiten in door de strafbepaling onterecht of onbedoeld bestreken gevallen. [14]
strictu sensuin overtreding. [15]
dragenvan een mes óók het
vervoervan elk mes in het centrum van Amsterdam strafbaar heeft willen stellen, acht ik niet aannemelijk.
. [25] Voor de werking van art. 122 Gemeentewet Pro is dus niet beslissend of de hogere wetgever het onderwerp anders of uitputtend heeft geregeld en/of willen regelen, [26] maar alleen of de hogere wetgever het onderwerp “aan zich heeft getrokken”. [27] Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever met dit voorschrift beoogt splitsing van bepalingen te voorkomen als één of meer toepassingen onder het regime van art. 122 Gemeentewet Pro vallen. [28] Ten gevolge van de hogere voorziening in het onderwerp vervalt de bepaling uit de verordening dus in beginsel in haar geheel en niet slechts voor zover zij hetzelfde onderwerp als de hogere regelgeving bestrijkt. De Hoge Raad heeft bepaald dat de
gemeentelijkewetgever het niet in zijn macht heeft de werking van art. 122 Gemeentewet Pro te verijdelen door in de verordening tot uitdrukking te brengen dat deze niet geldt voor zover een hogere regeling van toepassing is. [29] Wel kent de
hogereregelgeving nu en dan bijzondere conflictregels die verval van decentrale bepalingen beogen uit te stellen of te vermijden. [30] Bevat de hogere regelgeving geen bijzondere voorziening, dan vervalt de gemeentelijke bepaling. Is de gemeentelijke verordeningsbepaling in eigenlijke zin – inhoudelijk – met de hogere regel goed verenigbaar, dan kan de gemeenteraad deze na de inwerkingtreding van de hogere regeling opnieuw vaststellen en zo de bevoegdheid van art. 121 Gemeentewet Pro uitoefenen, zich er daarbij aldus rekenschap van gevend dat inmiddels hogere regelgeving over het onderwerp in acht moet worden genomen. [31] De gedachte achter deze wat omslachtige werkwijze is te voorkomen dat onduidelijkheid en daarmee gepaard gaande rechtsonzekerheid ontstaat als twee niet aan elkaar aangepaste regelingen in eenzelfde onderwerp voorzien.
materievan art. 2.5 APV – inhoudend een verbod op het bij zich hebben van messen en steekwapens – ook de aandacht van de wetgever in formele zin heeft, behoeft geen betoog. [32] De WWM beoogt zowel de beheersing van het legale wapenbezit als de bestrijding van het illegale wapenbezit in Nederland te regelen. [33] De WWM definieert zoals bekend in art. 2 welke Pro voorwerpen als wapen in de zin daarvan moeten worden aangemerkt en verdeelt ze onder in categorieën. Diverse soorten messen zijn wapen van categorie I, [34] categorie III [35] of categorie IV [36] . Vergelijkbaar met het in art. 2.5 APV gegeven verbod op andere zaken die als steekwapen kunnen worden gebruikt, zijn de in categorie I onder 7° en in Categorie IV onder 6° en 7° genoemde restcategorieën van door de minister aangewezen voorwerpen die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of zodanig op een wapen gelijken dat ze voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn, door de minister aangewezen voorwerpen die geschikt zijn om ernstig lichamelijk letsel toe te brengen en de voorwerpen waarvan gelet op hun aard of de omstandigheden waaronder zij worden aangetroffen redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij bestemd zijn om letsel toe te brengen of te dreigen. Art. 2.5 APV heeft aldus betrekking op materie die ook is geregeld in de WWM en de daarop gebaseerde lagere regelgeving.
NJ1981/429, m.nt. Scheltema.
waaromhet in de wet geregelde daarin wordt neergelegd. De redenering van het gerechtshof Leeuwarden volgend – dit is dus niet mijn redenering – zou bijvoorbeeld in de sfeer van de drugsdelicten kunnen worden volgehouden dat een gemeentelijk drugsverbod dat de volksgezondheid beschermt niet in hetzelfde onderwerp voorziet als de Opiumwet, omdat de Opiumwet ‘bestrijding van verboden verdovende middelen en beheersing van niet-verboden verdovende middelen’ beoogt.