ECLI:NL:HR:2013:BZ0158
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Geen overeenkomstige toepassing van huurbeding bij verpanding lidmaatschapsrecht coöperatie
In deze zaak stond de vraag centraal of artikel 3:264 van Pro het Burgerlijk Wetboek, dat betrekking heeft op het huurbeding bij hypotheekrecht, ook overeenkomstig toegepast kan worden op het huurbeding in een pandakte van een lidmaatschapsrecht in een flatcoöperatie. De verzoekster, SNS Bank, had een lidmaatschapsrecht verpand gekregen als zekerheid voor een lening en wilde op grond van het huurbeding de huurders ontruimen.
De voorzieningenrechter en het hof wezen het verzoek af, waarbij het hof overwoog dat het huurbeding bij hypotheekrecht een specifieke wettelijke regeling kent met waarborgen zoals kenbaarheid via openbare registers, terwijl een dergelijke regeling bij verpanding van lidmaatschapsrechten ontbreekt. Het hof vond dat een ontruimingsbevoegdheid slechts op grond van een expliciete wettelijke basis kan worden uitgeoefend.
SNS betoogde dat er maatschappelijke behoefte is aan een vergelijkbare regeling als bij hypotheekrecht, omdat lidmaatschapsrechten en appartementsrechten economisch en maatschappelijk vergelijkbaar zijn. De Hoge Raad verwierp dit betoog en benadrukte dat het ontbreken van kenbaarheid en wettelijke waarborgen een analoge toepassing van artikel 3:264 BW Pro uitsluit. Hierdoor blijft de positie van huurders beter beschermd en wordt de rechtsvormende taak van de rechter niet overschreden.
De Hoge Raad wees het beroep van SNS af en veroordeelde SNS in de proceskosten. Deze uitspraak bevestigt het belang van expliciete wettelijke regelingen voor ontruimingsbevoegdheden bij huurbedingen en beschermt de positie van huurders bij verpanding van lidmaatschapsrechten.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde dat artikel 3:264 BW niet overeenkomstig van toepassing is op het huurbeding bij verpanding van lidmaatschapsrechten.