Conclusie
€5.202 (€ 1.734 x 3 jaar). In principaal en incidenteel hoger beroep begroot [verweerster] haar kosten op € 107.501,50 aan advocaatkosten plus € 22.997,00 aan verschotten, te vermeerderen met een
succes feevan 50% van de advocaatkosten. De gevorderde kosten heeft [verweerster] onderbouwd met proceskostenspecificaties die – anders dan [eiseressen] meent – voldoende inzicht bieden in de verrichte werkzaamheden.
succes feeredelijk en evenredig zijn, zoals [verweerster] heeft betoogd onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad in de zaak AIB/Novisem. In dit geval heeft [verweerster] echter zelf aangevoerd dat de
succes feekomt bovenop ‘het gebruikelijke tarief’. Daarvan uitgaande leidt de ophoging van de kosten met een
succes feein dit geval tot een ongewoon hoog honorarium in de zin van het arrest van het Hof van Justitie in de zaak United Video. Bovendien heeft [verweerster] zelf aangevoerd dat haar advocaat in geen geval meer declareert dan in hoger beroep wordt toegewezen. Gelet daarop leidt afwijzing van de
succes feeer ook niet toe dat [verweerster] minder kosten vergoed krijgt dan zij heeft gemaakt.
2.Bespreking van het cassatieberoep
Adjuncten Properties/Söderqvist [9] oordeelde Uw Raad dat een partij die aanvoert dat zij is opgehouden te bestaan, maar daarin door de rechter niet wordt gevolgd, in hoger beroep moet kunnen komen om haar standpunt aan de appelrechter voor te leggen. Op grond van diezelfde redenering kan [eiseres 1], ondanks het eigen betoog dat zij niet meer bestaat, naar mijn mening worden ontvangen in haar cassatieberoep.
eerste onderdeel, dat bestaat uit drie subonderdelen, bestrijdt het oordeel in rov. 2.1-2.3 van het eindarrest [10] dat [eiseres 1] en [eiseres 2] dezelfde partij zijn.
eerste subonderdeelheeft het hof ten onrechte geoordeeld dat [eiseres 2] zozeer vereenzelvigd dient te worden met de door [eiseres 1] geëxploiteerde onderneming dat [eiseres 2] aansprakelijk is voor de schulden van [eiseres 1] (althans voor de schuld aan [verweerster]). Een zodanige vereenzelviging vindt volgens het subonderdeel geen grondslag in het recht. Subsidiair wordt aangevoerd dat een dergelijke vereenzelviging slechts aan de orde kan zijn bij misbruik van identiteitsverschil waardoor de schuldeiser is benadeeld in zijn verhaal. Mocht het hof hebben geoordeeld dat [verweerster] in zijn verhaal is benadeeld, dan is onbegrijpelijk op welke feiten dit oordeel berust, mede in het licht van de verweren van [eiseressen] [20] . In de toelichting wordt verwezen naar het arrest
Roco/Staat [21] .
Roco/Staatgaat om die reden ook niet op. Dat arrest betreft een onderneming die aanvankelijk als eenmanszaak werd gedreven en later door Roco B.V. is voortgezet. Naar het oordeel van Uw Raad had het hof onterecht beslist dat een schuld, die vóór de oprichting van Roco B.V. was ontstaan, als aan de onderneming verbonden schuld op Roco B.V. was overgegaan. In dit arrest ging het dus om twee verschillende partijen (de natuurlijke persoon die de onderneming als eenmanszaak had gedreven en de rechtspersoon Roco B.V.). In onze zaak is daarentegen juist geoordeeld dat [eiseres 1] en [eiseres 2] dezelfde partij zijn.
tweede subonderdeelvangt aan met de klacht dat het hof [eiseres 1] en [eiseres 2] ten onrechte heeft aangemerkt als dezelfde partij, waar het hier gaat om twee species van de maatschap, twee verschillende personenassociaties, die ieder in de periode van hun activiteiten aan het rechtsverkeer deelnamen c.q. deelnemen.
derde subonderdeelricht een motiveringsklacht tegen het oordeel dat [eiseres 2] alle rechten en verplichtingen van [eiseres 1] heeft overgenomen. Het subonderdeel acht onbegrijpelijk dat hiertoe ook een eventuele verplichting aan [verweerster] zou kunnen behoren. Het subonderdeel wijst erop dat de overdracht van de onderneming aan [eiseres 2] op 23 juli 2006 plaatsvond, dat de vermeende vordering van [verweerster] pas in 2010 is ontstaan en dat zowel [eiseres 1] als [eiseres 2] het bestaan van die vordering gedurende en na 2010 hebben betwist.
eerste onderdeeltreft volgens mij dus geen doel.
tweede onderdeelkomt eveneens op tegen rov. 2.1-2.3 van het eindarrest [27] . Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat [verweerster] geen belang heeft bij haar vorderingen tegen [eiseres 1] vanwege de liquidatie van het afgescheiden vermogen. Verder acht [eiseressen] het oordeel onvoldoende gemotiveerd in het licht van de essentiële stellingen dat [eiseres 1] in 2006 is ontbonden en dat de vof sinds 2006 geen vermogen meer heeft [28] . De toelichting wijst op het volgende. [verweerster] heeft alleen [eiseres 1] en niet de vennoten gedagvaard. Zij gaat er ook vanuit dat [eiseres 1] sinds 2006 geen activiteiten en bezittingen meer heeft [29] . Uit het arrest
UXV/X q.q.blijkt dat een vordering die uitsluitend tegen de vof is toegewezen niet kan worden verhaald op het privé-vermogen van de vennoten [30] .
tweede onderdeelis dus vergeefs voorgesteld.
derde onderdeelbetreft de kwalificatie van de bloembollen naar Nederlands kwekersrecht en communautair kwekersrecht. Hierbij stel ik het volgende voorop.
derde onderdeel.
vierde onderdeelbetreft de veroordeling van [eiseressen] in de proceskosten van [verweerster] op de voet van art. 1019h Rv (eindarrest, rov. 2.81-2.88).
United Video/Telenet [74] overwoog het HvJ EU dat art. 14 van Pro de Handhavingsrichtlijn zich verzet tegen forfaitaire tarieven die niet waarborgen dat minstens een significant en passend deel van de redelijke kosten van de in het gelijk gestelde partij door de verliezende partij wordt gedragen.
eerste subonderdeelheeft het hof miskend dat de in het ongelijk gestelde partij desgevorderd wordt veroordeeld in de redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt. Als het hof dit niet heeft miskend, is het oordeel onbegrijpelijk. Het subonderdeel stelt in dit verband dat [verweerster] in overwegende mate in het ongelijk is gesteld gezien haar overmatige en steeds verhoogde vorderingen. Verder wordt in het subonderdeel aangevoerd dat het hof niet is ingegaan op de essentiële stelling dat de door [verweerster] gevorderde kosten niet aan de dubbele redelijkheidstoets voldoen en onevenredig zijn. Daartoe betoogt het subonderdeel dat het belang van de zaak beperkt is tot € 3.000 plus BTW aan gemiste licentievergoeding, dat sprake is van een geringe inbreuk en dat vele malen is aangeboden om voor de licentie te betalen. Tot slot bepleit het subonderdeel dat onvoldoende verband bestaan met het procederen over IE-rechten [77] . De procesinleiding vermeldt tussen haakjes “o.a. Polenhotel”. Daarmee doelt [eiseressen] kennelijk op deze stelling in pleitnota HB (2), p. 5: “Ridicuul is de post “bestuderen beslissing inzake Polenhotel”. Wat heeft dat met deze zaak te maken?” [78]
eerste subonderdeelis volgens mij daarom ongegrond.
tweede subonderdeelacht onjuist of onbegrijpelijk dat het hof bij de proceskostenveroordeling in eerste aanleg de vordering van [verweerster] inclusief BTW toewijst. [verweerster] kan deze kosten namelijk als besloten vennootschap in vooraftrek brengen. [eiseressen] verwijst naar de opstelling van de kosten in eerste aanleg die uitkomt op € 146.220,96 [84] . Volgens de toelichting maakt een vergelijking met de onderliggende facturen duidelijk dat dit bedrag inclusief BTW is [85] . Voor wat betreft de proceskoten in hoger beroep lijkt het hof de BTW niet voor vergoeding in aanmerking te laten komen. Het hof hanteert in rov. 2.88 van het eindarrest de genoemde kosten voor het hoger beroep exclusief BTW, aldus het subonderdeel [86] .
derde subonderdeelbetoogt dat het hof ten onrechte heeft nagelaten om (zonodig ambtshalve) toepassing te geven aan de billijkheidscorrectie van art. 1019h Rv (“tenzij de billijkheid zich hiertegen verzet”). Dat het hof de billijkheidscorrectie niet toepast, acht het subonderdeel verder onbegrijpelijk gezien de essentiële stelling dat het belang van [verweerster] is beperkt tot € 3.000 aan gemiste licentievergoeding. Het hof had het beroep op de billijkheidscorrectie niet onbehandeld mogen laten [87] .
vierde onderdeelvergeefs is voorgesteld.