ECLI:NL:PHR:2021:94

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 februari 2021
Publicatiedatum
3 februari 2021
Zaaknummer
20/00301
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 1 Zaaizaad- en PlantgoedwetArt. 57 lid 1 ZPWArt. 57 lid 2 ZPWArt. 57 lid 3 sub a ZPW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt voortzetting van vof door commanditaire vennootschap en kwalificatie bloembollen als teeltmateriaal onder kwekersrecht

In deze zaak stonden geschillen centraal over de voortzetting van een vennootschap onder firma (vof) door een commanditaire vennootschap (CV) en de kwalificatie van bloembollen als teeltmateriaal in het kader van het kwekersrecht. [Verweerster] is houdster van kwekersrechten op diverse bloembolrassen en had een licentieovereenkomst met [betrokkene 1], die zij beëindigde wegens wanbetaling. Vervolgens namen [eiseressen] de bollenteelt over van [betrokkene 1]. [Verweerster] vorderde staking van inbreuk, schadevergoeding en proceskosten.

De rechtbank wees de vorderingen af, maar het hof vernietigde dit vonnis en oordeelde dat [eiseres 2] een voortzetting is van [eiseres 1] met behoud van identiteit, en dat bloembollen teeltmateriaal en componenten zijn onder respectievelijk de ZPW en GKVo. Het hof kende een schadevergoeding toe en veroordeelde [eiseressen] in proceskosten.

In cassatie betoogden [eiseressen] onder meer dat [eiseres 1] was ontbonden en dat bloembollen geen teeltmateriaal zijn. De Hoge Raad verwierp deze klachten, bevestigde de voortzetting van de vof door de CV en de kwalificatie van bloembollen als teeltmateriaal en componenten. Ook de proceskostenveroordeling werd bevestigd vanwege de omvang en complexiteit van de zaak.

De uitspraak verduidelijkt de juridische positie van personenvennootschappen bij wijziging van rechtsvorm en bevestigt de ruime bescherming van kwekersrechten op bloembollen, ook wanneer deze voor de consumentenmarkt bestemd zijn.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de vof is voortgezet door de CV en bloembollen zijn teeltmateriaal onder het kwekersrecht.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer20/00301
Zitting5 februari 2021
CONCLUSIE
G.R.B. van Peursem
In de zaak
1. de (ontbonden) v.o.f.
[eiseres 1].
2. CV [eiseres 2].
(hierna: “[eiseressen]” en voor zover van belang afzonderlijk “[eiseres 1]” en “[eiseres 2]” te noemen)
eiseressen tot cassatie
adv. mr. D.Th.J. van der Klei
Tegen
[verweerster] B.V.
(hierna: “[verweerster]”)
verweerster in cassatie
niet verschenen
[verweerster] is houdster van communautaire en Nederlandse kwekersrechten voor een aantal bloembolrassen. Zij had een licentieovereenkomst gesloten met bloembollenteler [betrokkene 1], maar heeft deze beëindigd vanwege het uitblijven van betaling. Nadien heeft [eiseressen] [betrokkene 1] in dienst genomen en diens bollenteelt (gedeeltelijk) overgenomen. [verweerster] en [eiseressen] hebben vergeefs gesproken over een licentieovereenkomst.
[verweerster] heeft [eiseres 1] gedagvaard en vordert (samengevat) een veroordeling tot staking van de gestelde inbreuk op de beschermde rassen, met schadevergoeding en een proceskostenveroordeling op de voet van art. 1019h Rv. [eiseressen] voert als verweer (1) dat [eiseres 1] niet meer bestaat en dat [eiseres 2] moest worden gedagvaard en (2) dat de bollen geen ‘teeltmateriaal’ zijn in de zin van de Zaaizaad en Plantgoedwet. De rechtbank verwerpt het eerste verweer, honoreert het tweede verweer en wijst de vordering af.
Door [verweerster] is hoger beroep ingesteld tegen [eiseres 2] en [eiseres 1]. Het hof heeft het vonnis vernietigd, de vordering tot staking van de inbreuk toegewezen, de gevorderde schadevergoeding deels toegewezen, met een proceskostenveroordeling ex art. 1019h Rv. Naar het oordeel van het hof zijn [eiseres 1] en [eiseres 2] aan te merken als dezelfde partij en kwalificeren de bloembollen wel als ‘teeltmateriaal’ in de bedoelde zin respectievelijk als ‘component’ onder de Gemeenschapskwekersrechtverordening.
[eiseres 1] en [eiseres 2] komen in cassatie op tegen deze oordelen en de proceskostenveroordeling. Ik zie de klachten niet slagen.
1. Feiten en procesverloop [1]
1.1 [verweerster] houdt zich bezig met het kweken, veredelen en verpakken van bloembollen en met de handel in bloembollen, zaden en aanverwante artikelen. Zij heeft zich daarbij gespecialiseerd in de soorten Amaryllis L en Hippeastrum Herb.
1.2 Op de verleningscertificaten van kwekersrechten voor de navolgende rassen (hierna: “de beschermde rassen”) staat [verweerster] vermeld als kwekersrechthouder:
Amaryllis L:
2.3.1. communautair kwekersrecht, verleend op 19 oktober 1998 bij beslissing nummer EU 3747, voor het ras ‘NYMPH’;
2.3.2. Nederlands kwekersrecht, verleend op 12 augustus 1999 en ingeschreven onder volgnummer 18817, voor het ras ‘EXPOSURE’;
2.3.3. Nederlands kwekersrecht, verleend op 11 juli 2003 en ingeschreven onder volgnummer 21115, voor het ras ‘GRAND CRU’;
Hippeastrum Herb:
2.3.4. communautair kwekersrecht, verleend op 30 januari 2006 bij beslissing nummer EU 16880, voor het ras ‘POPOV’;
2.3.5. communautair kwekersrecht, verleend op 23 september 2002 bij beslissing nummer EU 10122, voor het ras ‘WHINYM’; en
2.3.6. communautair kwekersrecht, verleend op 27 maart 2006 bij beslissing nummer EU 17088, voor het ras ‘CHERNYM’.
1.3 [eiseressen] is een teler van bloemen.
1.4 [betrokkene 1] exploiteerde tot het voorjaar van 2010 een bloembollenkwekerij op een aan hem toebehorend perceel aan de [a-straat] te [plaats] en op een van [betrokkene 2] gehuurd perceel aan de [b-straat] te [plaats] (hierna tezamen: “de percelen van [betrokkene 1]”). [betrokkene 1] teelde op deze percelen onder meer bloembollen voor [eiseressen].
1.5 [verweerster] heeft, daarbij vertegenwoordigd door [A] C.V. (hierna: “[A]”), in 2009 met betrekking tot onder andere de beschermde rassen een licentieovereenkomst met [betrokkene 1] gesloten. Hierbij is het [betrokkene 1] toegestaan om – kort samengevat – plantgoed en bloeibare bollen van de beschermde rassen te vermeerderen, voort te brengen en/of te verhandelen. De overeenkomst houdt onder meer in:
“Bij beëindiging van deze overeenkomst vervallen alle bij of krachtens deze overeenkomst aan Licentienemer toegekende of voortvloeiende rechten en bevoegdheden. Het is licentienemer toegestaan lopende opdrachten af te werken. Aansluitend daaraan is Licentienemer tegenover Licentiegever verplicht om binnen 30 (dertig) dagen al het plantmateriaal van de rassen te vernietigen of in overleg aan Licentiegever terug te leveren.”
Op grond van deze overeenkomst heeft [betrokkene 1] zowel bloeibare bollen (in deze procedure wel aangeduid als, en hierna te noemen, leverbare bollen) van de beschermde rassen geteeld als plantgoed van de beschermde rassen voortgebracht.
1.6 Bollen van de beschermde rassen worden geteeld door kleine (stukjes) bolletjes, een schub of klister, op te kweken tot de bolletjes een spruit hebben. Vervolgens worden die bolletjes uitgepoot en groeien ze uit tot leverbare bollen.
1.7 Omdat [betrokkene 1] in gebreke bleef met betaling van licentievergoedingen voor geleverd plantmateriaal en aangaf niet tot betaling in staat te zijn, heeft [verweerster] de licentieovereenkomst bij brief van 6 mei 2010 met onmiddellijke ingang beëindigd. [verweerster] heeft [betrokkene 1] daarbij gesommeerd over te gaan tot teruggave van al het plantmateriaal van de beschermde rassen.
1.8 Ter zekerheid voor de nakoming van haar vordering tot afgifte heeft [verweerster] op 19 mei 2010 conservatoir beslag gelegd op onder meer de te velde staande beplanting, inbreukmakende plantmaterialen en leverbare bollen van de beschermde rassen die aanwezig waren op de percelen van [betrokkene 1].
1.9 [betrokkene 1] heeft zijn bedrijfsmatige activiteiten gestaakt en is in dienst getreden bij [eiseressen]. [eiseressen] heeft de bollenteelt van [betrokkene 1] geheel of gedeeltelijk overgenomen.
1.10 In het kader van de sanering van zijn schulden heeft [betrokkene 1] in juli 2010 het perceel aan de [a-straat] te [plaats] verkocht aan [betrokkene 3]. [verweerster] heeft tegen betaling door [betrokkene 3] van een bedrag van € 50.000,- afstand gedaan van een aan haar door [betrokkene 1] verleende (tweede of derde) hypotheek, alsmede het op 19 mei 2010 gelegde beslag opgeheven.
1.11 [eiseressen] en [verweerster] hebben overleg gevoerd over een eventueel af te sluiten licentieovereenkomst. Die is echter niet tot stand gekomen. [verweerster] heeft vervolgens op 3 september 2010 opnieuw beslag gelegd op de te velde staande beplanting en inbreukmakende plantmaterialen van de beschermde rassen die aanwezig waren op de percelen van [betrokkene 1].
1.12 [verweerster] heeft op 1 oktober 2010 onder meer [eiseres 1] gedagvaard [2] . Na vermeerdering van eis heeft zij samengevat gevorderd (1) [eiseressen] te veroordelen iedere inbreuk op de beschermde rassen te staken en gestaakt te houden, met afgifte van inbreukmakend plantmateriaal en opgave van gegevens over de door de inbreuk gerealiseerde winst, een en ander op straffe van een dwangsom, (2) [eiseressen] te veroordelen tot betaling van € 432.989,42, (3) [eiseressen] te veroordelen tot vergoeding van door de inbreuk geleden schade en/of afdracht van de verdere winst, op te maken bij staat, (4) met veroordeling van [eiseressen] in de proceskosten ex art. 1019h Rv.
1.13 [eiseressen] heeft bestreden dat sprake was van inbreukmakende handelingen. Verder stelt [eiseressen] dat [verweerster] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vorderingen, aangezien [eiseres 1] op 23 juli 2006 is ontbonden en de onderneming daarna is voortgezet door [eiseres 2]. Verwezen wordt naar een uittreksel uit het handelsregister over [eiseres 1] waarin het volgende is vermeld [3] :
“KvK-nummer [001]
Uitgeschreven uit het handelsregister per 23-07-2006 (datum registratie: 22-10-2010) (…)
Op 22-10-2010 is geregistreerd dat de onderneming met ingang van 23-07-2006 is voortgezet door CV [eiseres 2]., ingeschreven onder KvK-nummer [002]. Laatstelijk stond ingeschreven: (…)
Vennootschap Onder Firma (…) [eiseres 1]. (…)
Vennoten (…) [betrokkene 4] (…) J[B] B.V.”
1.14 In de verdere gedingstukken heeft [verweerster] [eiseressen] aangeduid als de v.o.f. [eiseres 1], thans voortgezet door de CV [eiseres 2].
1.15 Bij vonnis van 6 juli 2016 [4] heeft de rechtbank de vorderingen afgewezen.
Het ontvankelijkheidsverweer is verworpen. Volgens de rechtbank houdt [eiseres 1] niet op te bestaan door uitsluitend de ontbinding en is gesteld noch gebleken dat het vennootschapsvermogen is afgewikkeld (rov. 4.3). Verder overweegt de rechtbank dat de ontbinding pas vanaf de inschrijving in het handelsregister op 22 oktober 2010 jegens [verweerster] kan worden ingeroepen (art. 25 lid 1 Handelsregisterwet Pro). Op dat tijdstip was deze procedure al aanhangig, zodat [eiseres 1] blijft voortbestaan zolang de procedure voortduurt (rov. 4.4).
De vorderingen zijn op inhoudelijke gronden afgewezen. De rechtbank heeft niet bewezen geacht dat [eiseressen] plantgoed dat in september 2010 nog op de percelen van [betrokkene 1] aanwezig was, heeft vermeerderd of verkocht en evenmin dat [eiseressen] leverbare bollen die zich in september 2010 nog op de percelen van [betrokkene 1] bevonden, heeft gebruikt om daaruit bloemen te telen (rov. 4.7 en 4.8). De rechtbank heeft wel aangenomen dat [eiseressen] leverbare bollen van de beschermde rassen via Ben [betrokkene 1] heeft verkocht voor de consumentenmarkt (rov. 4.9). Volgens de rechtbank is een dergelijke bol echter nog niet, zoals art. 1 sub f van Pro de Zaaizaad- en Plantgoedwet (“ZPW”) teeltmateriaal definieert, bestemd om voor de teelt van gewassen of ter vermeerdering te dienen dan wel hiervoor gebruikt (rov. 4.11). De leverbare bollen waren ook in de opvatting van [verweerster] op het tijdstip van de verkoop niet meer als teeltmateriaal aan te merken (rov. 4.12). Het verrichten van voorbehouden handelingen als bedoeld in art. 57 lid 1 ZPW Pro is dus niet komen vast te staan. [verweerster] heeft niet aangevoerd dat iets anders geldt voor wat betreft de door de Gemeenschapskwekersrechtverordening [5] (GKVo) beschermde rassen (rov. 4.13). Het beroep op art. 57 lid 4 ZPW Pro en 13 lid 3 GKVo (bescherming van oogstmateriaal) acht de rechtbank onvoldoende gemotiveerd (rov. 4.14).
1.16 [verweerster] is in hoger beroep gekomen. De appeldagvaarding is betekend aan zowel [eiseres 1] als [eiseres 2]. [verweerster] heeft vijf grieven geformuleerd en de grondslag van haar eis uitgebreid met, kort gezegd, verhandeling van materiaal van de beschermde rassen onder andere aanduidingen dan de ingeschreven rasbenamingen, onrechtmatig handelen en profiteren van wanprestatie. [eiseressen] heeft de grieven en de eisvermeerdering bestreden en voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld. Partijen hebben hun zaak op 27 november 2017 doen bepleiten.
1.17 Het hof heeft op 13 februari 2018 een tussenarrest gewezen. Hierbij zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de ontvankelijkheid van het hoger beroep tegen [eiseres 2] (rov. 5.1). Ook is [eiseressen] toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen in het tussenarrest voorshands bewezen geachte stellingen met betrekking tot de teelt en verkoop van bollen van de beschermde rassen (rov. 5.2).
1.18 In het tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat bloembollen zijn aan te merken als teeltmateriaal in de zin van art. 57 lid 1 ZPW Pro en componenten als bedoeld in art. 13 lid 2 GKVo Pro. Volgens het hof geldt dit ook voor leverbare bloembollen ten behoeve van de consumentenmarkt. Dat de bloembollen zijn gerooid, betekent niet dat zij de status van teeltmateriaal of componenten verliezen. Daartoe overweegt het hof als volgt:
“4.3. Het hof is met [verweerster] van oordeel dat het telen en verkopen van bollen van kwekersrechtelijk beschermde Amaryllisrassen handelingen zijn die zowel onder de ZPW als onder de GKVo zijn voorbehouden aan de kwekersrechthebbende. De artikelen 57, eerste lid, ZPW en 13, tweede lid, GKVo bepalen dat de houder van een kwekersrecht onder meer het uitsluitend recht heeft teeltmateriaal, respectievelijk[e] componenten van een beschermd ras voort te brengen of in de handel te brengen. Dat het telen en verkopen moet worden gekwalificeerd als respectievelijk voortbrengen en in de handel brengen staat niet ter discussie. Partijen verschillen alleen van mening over het antwoord op de vraag of een bloembol kan worden aangemerkt als teeltmateriaal in de zin van artikel 57, eerste lid, ZPW en component in de zin van artikel 13, tweede lid, GKVo.
4.4. De bovengenoemde vraag moet naar het oordeel van het hof bevestigend worden beantwoord. De ZPW definieert teeltmateriaal als ‘planten en plantendelen die bestemd zijn om voor de teelt van gewassen of ter vermeerdering te dienen dan wel daartoe gebruikt worden’ (artikel 1 sub f ZPW Pro). Bloembollen zijn planten of plantendelen die bestemd zijn voor de teelt van gewassen of ter vermeerdering te dienen. Partijen maken daarbij onderscheid tussen niet-leverbare bollen (ook wel aangeduid als ‘plantgoed’), die nog zo klein zijn dat ze uitsluitend worden gebruikt voor de verdere teelt van bollen, en leverbare bollen (ook wel aangeduid als ‘bloeibare bollen’), die worden gebruikt om er bloemen uit te laten groeien. Beide soorten bollen zijn bestemd voor de teelt van de gewassen. De niet- leverbare bollen zijn bestemd voor de verdere teelt van bollen. De leverbare bollen zijn bestemd voor de teelt van bloemen. Anders dan de rechtbank lijkt te hebben aangenomen, is in dit verband niet relevant of de bollen worden verkocht op de consumentenmarkt. Ook consumenten zullen de bollen immers gebruiken om er bloemen uit te laten groeien. Weliswaar is die teelt in de privé-sfeer op grond van artikel 57, derde lid, sub a ZPW uitgezonderd van het exclusieve recht van de kwekersrechthouder, maar dat laat onverlet dat de bollen plantendelen zijn die bestemd zijn voor de teelt van gewassen en dat de verkoop van die bollen aan de consument dus valt onder het exclusieve recht van de kwekersrechthouder.
4.5. Om vergelijkbare redenen moet een bloembol naar het oordeel van het hof worden aangemerkt als een ‘component’ in de zin van artikel 13, tweede lid, GKVo. Over componenten bepaalt artikel 5, derde lid, GKVo het volgende:
Een plantengroep bestaat uit volledige planten of plantedelen voor zover die delen volledige planten kunnen voortbrengen. Volledige planten en plantedelen worden hierna "componenten'' genoemd.
Mede gelet op het feit dat in andere taalversies van deze bepaling, waaronder de Engelse, Franse en Duitse, de definitie van ‘componenten’ in de tweede zin uitdrukkelijk terugverwijst naar de eerste zin waarin wordt gesproken over ‘volledige planten of plantedelen voor zover die delen volledige planten kunnen voortbrengen’ moet worden aangenomen dat het begrip ‘componenten’ in de GKVo betekent: volledige planten of plantendelen voor zover die delen volledige planten kunnen voortbrengen. Een bloembol is een plantendeel dat een volledige plant kan voortbrengen en dus een component in de zin van artikel 13, tweede lid, GKVo.
4.6. De omstandigheid dat de bollen zijn gerooid, maakt, anders dan [eiseressen] heeft gesuggereerd (en aan het begin van deze procedure ook [verweerster] heeft aangenomen), niet dat de bollen de status van teeltmateriaal of componenten verliezen. Een beperking van teeltmateriaal tot ongerooid materiaal is niet te lezen in de hiervoor geciteerde definities van teeltmateriaal en componenten. Bovendien verdraagt een dergelijke uitleg zich niet met het gegeven dat ook verkoop, invoer en uitvoer als voorbehouden handelingen worden aangemerkt, terwijl die handelingen in het algemeen juist zullen worden verricht met betrekking tot gerooide bollen.
4.7. Het feit dat de ZPW en GKVo een specifiek, meer restrictief regime kent voor geoogst materiaal (artikel 57, vierde lid, ZPW en artikel 13, derde lid, GKVo), betekent niet dat gerooide bollen onder dat regime vallen en niet kunnen worden aangemerkt als teeltmateriaal. De regeling voor handelingen met betrekking tot oogstmateriaal is bedoeld als een uitbreiding op de rechten die kwekersrechthebbenden hebben met betrekking tot teeltmateriaal en moet dus zien op ander materiaal dan materiaal dat al wordt beschermd als teeltmateriaal. Naar het oordeel van het hof moeten bij de rassen van de gewassen waarop deze zaak betrekking heeft niet de bollen, maar snijbloemen die niet worden gebruikt voor de teelt of vermeerdering van de gewassen worden aangemerkt als oogstmateriaal.”
1.19 In rov. 4.9 van het tussenarrest verwerpt het hof het betoog dat [betrokkene 3] heeft betaald voor een licentie en dat [verweerster] daarom moet worden geacht toestemming te hebben gegeven voor de activiteiten van [eiseressen]. Het hof verwijst in dat verband naar de door [verweerster] overgelegde correspondentie tussen de advocaten van [betrokkene 3] en [verweerster], waarin de betaling alleen in verband is gebracht met de doorhaling van de hypotheek en het beslag (zie hiervoor in 1.10).
1.20 Na het tussenarrest hebben partijen aktes genomen over de ontvankelijkheid van het appel tegen [eiseres 1] en [eiseres 2], zijn er getuigen gehoord, memories na enquête genomen, aanvullende producties overgelegd en is er opnieuw gepleit. [verweerster] heeft bij de akte over de ontvankelijkheid een uittreksel uit het handelsregister over [eiseres 2] overgelegd, waarin het volgende is opgenomen [6] :
“KvK-nummer [002] (…)
Commanditaire Vennootschap (…) CV [eiseres 2]. (…)
Aantal commanditaire vennoten 2 (…)
Deze vennootschap drijft de vestiging sinds 23-07-2006 (datum registratie 22-10-2010) (…)
Vennoten (…) [betrokkene 4] (…) J[B] B.V.”
1.21 Bij eindarrest van 29 oktober 2019 heeft het hof het vonnis vernietigd en [eiseressen] op straffe van een dwangsom bevolen om (samengevat) iedere inbreuk op de Nederlandse en communautaire kwekersrechten voor de beschermde rassen te staken en de in beslag genomen en in voorraad gehouden plantmaterialen van de beschermde rassen aan [verweerster] af te geven. Verder is [eiseressen] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 201.046,63 en tot betaling van de proceskosten op de voet van art. 1019h Rv, die in eerste aanleg zijn begroot op € 131.422,96 en in hoger beroep op € 130.498,50. Het oordeel berust op de volgende overwegingen.
1.22 Volgens het hof is [eiseres 2] een voortzetting van [eiseres 1] met behoud van identiteit en zijn [eiseres 1] en [eiseres 2] dus aan te merken als dezelfde partij:
“2.1. Omdat het vonnis in eerste aanleg is gewezen tegen [eiseres 1], is [verweerster] ontvankelijk in haar beroep tegen [eiseres 1]. [verweerster] is ook ontvankelijk in haar beroep tegen [eiseres 2], of – zoals [verweerster] het in haar memorie van grieven aanduidt – tegen [eiseres 1] ‘thans voortgezet als’ [eiseres 2]. Het hof is namelijk met [verweerster] van oordeel dat [eiseres 2] moet worden beschouwd als een voortzetting van de vennootschap [eiseres 1] met behoud van identiteit en dat [eiseres 1] en [eiseres 2] dus moeten worden aangemerkt als dezelfde partij.
2.2. Dat [eiseres 2] de voortzetting is van [eiseres 1] met behoud van identiteit volgt uit de met uittreksels uit het Handelsregister onderbouwde en niet, althans onvoldoende gemotiveerd bestreden stellingen van [verweerster]:
- dat [eiseres 2] de onderneming van [eiseres 1] met alle rechten en verplichtingen heeft voortgezet;
- dat [eiseres 2] dezelfde beherend vennoten heeft als [eiseres 1] had;
- dat [eiseres 2] vanaf hetzelfde adres en onder dezelfde handelsnaam ‘[eiseres 2]’ (zonder aanduiding van de vorm van de vennootschap) aan het rechtsverkeer deelneemt als [eiseres 1] heeft gedaan;
- dat de uitschrijving van [eiseres 1] uit het Handelsregister en de inschrijving van [eiseres 2] pas jaren na de ingeschreven ingangsdatum van de voortzetting is geregistreerd in het Handelsregister (registratie op 22 oktober 2010 van een voortzetting per 23 juli 2006).
Bovendien is gesteld noch gebleken dat het vennootschapsvermogen van [eiseres 1] is vereffend en verdeeld na de voortzetting van de onderneming door [eiseres 2]. Het enkele feit dat een commandiet is toegetreden tot de vennootschap en dat in verband daarmee de vorm van de vennootschap is omgezet van een VOF in CV en [eiseres 2] (jaren later) onder een ander nummer is ingeschreven in het Handelsregister, is in het licht van deze feiten en omstandigheden onvoldoende om [eiseres 2] aan te merken als een andere partij dan [eiseres 1].
2.3. Gelet op het voorgaande zullen [eiseres 1] en [eiseres 2] hierna worden beschouwd als één partij, aangeduid met de naam ‘[eiseressen]’.”
1.23 Het hof heeft [eiseressen] niet geslaagd geacht in het leveren van tegenbewijs tegen de stelling dat zij de bollen van de beschermde rassen verder heeft geteeld en heeft verkocht (rov. 2.4-2.50 en 2.53). Het hof ziet geen aanleiding om terug te komen van de beslissing dat niet kan worden aangenomen dat [betrokkene 3] heeft betaald voor een licentie voor de teelt- en verkoopactiviteiten van [eiseressen] (rov. 2.51-2.52). Dit betekent dat het principaal beroep in zoverre slaagt en het vonnis moet worden vernietigd. Er is voldoende grond voor toewijzing van het gevorderde inbreukverbod en ook de vordering tot afgifte van inbreukmakend materiaal is toewijsbaar (rov. 2.54). Het gevorderde bevel tot het doen van opgave van de winst wordt afgewezen omdat [verweerster] zelf heeft aangevoerd dat de administratie van [eiseressen] geen juist beeld geeft van de teelt en handel in materiaal van de beschermde rassen (rov. 2.56).
1.24 Rov. 2.57-2.77 betreffen de vordering tot afdracht van de winst en schadevergoeding. Niet in geschil is dat [verweerster], uitgaande van de vastgestelde inbreuken, aanspraak kan maken op winstafdracht krachtens art. 97 GKVo Pro en art. 70 lid 6 ZPW Pro (rov. 2.57). Het hof neemt aan dat [eiseressen] met de leverbare bollen een omzet heeft gerealiseerd van € 148.034,05 (88.175 bollen x prijs per bol van € 1,6789) en met het plantgoed dat in het volgende seizoen (2011) is uitgegroeid tot leverbare bollen een omzet heeft behaald van € 100.734,- (750 m2 x 80 bollen per m2 x € 1,6789). Na aftrek van kosten komt het hof uit op een winst van € 196.143,05 (rov. 2.58-2.72). [verweerster] heeft voor dit laatste bedrag recht heeft op winstafdracht (rov. 2.73). De schade door het gebruik van onjuiste rasbenamingen wordt gesteld op € 4.903,58 (rov. 2.74-2.76). De totale schade is aldus begroot op € 201.046,63 (rov. 2.77). Het voorwaardelijk incidenteel appel van [eiseressen] wordt verworpen (rov. 2.79-2.80).
1.25 In rov. 2.81-2.88 wordt de toewijzing van de proceskosten ex art. 1019h Rv voor een bedrag van € 131.422,96 in eerste aanleg en € 130.498,50 in appel gemotiveerd:
“2.81. Gelet op het voorgaande moet [verweerster] in de zaak tegen [eiseressen] zowel in eerste aanleg als in principaal en incidenteel hoger beroep worden beschouwd als de grotendeels in het gelijk gestelde partij en moet [eiseressen] worden veroordeeld in de proceskosten. Aangezien de toegewezen vorderingen zijn gebaseerd op een kwekersrechtinbreuk moeten die kosten worden begroot overeenkomstig artikel 1019h van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
2.82. [verweerster] heeft haar kosten met betrekking tot het geding in eerste aanleg begroot op € 146.220,96, exclusief de kosten van de bewaring van de monsters ten bedrage van
5.202 (€ 1.734 x 3 jaar). In principaal en incidenteel hoger beroep begroot [verweerster] haar kosten op € 107.501,50 aan advocaatkosten plus € 22.997,00 aan verschotten, te vermeerderen met een
succes feevan 50% van de advocaatkosten. De gevorderde kosten heeft [verweerster] onderbouwd met proceskostenspecificaties die – anders dan [eiseressen] meent – voldoende inzicht bieden in de verrichte werkzaamheden.
2.83. [eiseressen] heeft terecht aangevoerd dat een deel van de proceskosten van [verweerster] in eerste aanleg niet voor vergoeding in aanmerking komt, omdat die kosten geen betrekking hebben op het geschil met [eiseressen], maar op geschillen met anderen, zoals [betrokkene 1], [betrokkene 3] en [betrokkene 2]. [verweerster] heeft bij pleidooi in hoger beroep erkend dat deze kosten in mindering moeten worden gebracht op haar kostenoverzicht. Zij begroot de desbetreffende kosten op een bedrag van € 20.000,00. De juistheid van die begroting heeft [eiseressen] niet bestreden. Daarom zal het hof dat bedrag in mindering brengen.
2.84. Het verweer van [eiseressen] dat de gestelde kosten niet zijn gemaakt door [verweerster] moet worden verworpen. De door [verweerster] overgelegde facturen zijn weliswaar gericht aan [A] [[A], A-G], maar gelet op het als zodanig niet ter discussie staande feit dat [A] optreedt als dienstverlener en vertegenwoordiger van [verweerster], moet worden aangenomen dat [A] de kosten doorbelast aan [verweerster], zoals [verweerster] stelt.
2.85. Ook het betoog van [eiseressen] dat de kosten niet redelijk en evenredig zijn moet worden verworpen. Op zich heeft [eiseressen] terecht opgemerkt dat de kosten aanzienlijk hoger zijn dan de indicatietarieven die de rechtbanken en hoven hanteren bij de beoordeling van de redelijkheid en evenredigheid van proceskosten. In deze zaak bieden die indicatietarieven geen goede indicatie van de redelijkheid en evenredigheid, omdat er in deze zaak uitzonderlijk veel bewijsverrichtingen nodig zijn geweest ter weerlegging van het onjuiste, maar door [eiseressen] stellig verdedigde standpunt dat [eiseressen] bollen van de beschermde rassen heeft versnipperd. In dat licht kunnen ook de omvang van bepaalde werkzaamheden, zoals de tijd besteed aan de memorie na enquête, en het feit dat [verweerster] kosten heeft gemaakt om bewijs te bewaren dat zij niet heeft ingebracht, zoals de monsters van plantmateriaal en de in bewaring genomen computer van [betrokkene 1], niet worden aangemerkt als onnodig of niet redelijk en evenredig. [verweerster] kan ook niet worden verweten kosten te hebben gemaakt naar aanleiding van het door [eiseressen] ingenomen standpunt dat getuige Leune niet kon worden verhoord vanwege een op hem rustende geheimhoudingsplicht. Daarnaast heeft [eiseressen] bezwaar gemaakt tegen het feit dat meerdere advocaten aan de zaak hebben gewerkt en dat intern overleg is gevoerd. Die feiten zijn als zodanig echter niet ongebruikelijk of onredelijk, zeker niet in een relatief complexe zaak.
2.86. Ook het bezwaar van [eiseressen] tegen de kosten van [betrokkene 5] is ongegrond. [eiseressen] betoogt dat niet duidelijk is welke werkzaamheden [betrokkene 5] heeft verricht. [verweerster] heeft echter toegelicht dat [betrokkene 5] oud-accountant is en thans haar financieel adviseur is en dat [betrokkene 5] haar in deze procedure heeft geadviseerd en ondersteund bij ‘het boven tafel brengen van de waarheid’. Gelet op het feit dat de boekhoudkundige en financiële aspecten in deze zaak een substantiële rol spelen, onder meer bij de begroting van de schade en de waardering van het bewijsmateriaal, moet worden geoordeeld dat het redelijk was om [betrokkene 5] in te schakelen. Omdat het aantal uren en het tarief dat [betrokkene 5] in rekening heeft gebracht niet, althans niet gemotiveerd zijn bestreden, komen de kosten van zijn werkzaamheden in aanmerking voor vergoeding.
2.87. [eiseressen] heeft wel terecht aangevoerd dat de aanvullende vergoeding van 50% die [verweerster] overeen is gekomen met haar advocaat met betrekking tot de kosten van het hoger beroep, niet redelijk en evenredig is. Op zich is denkbaar dat proceskosten inclusief een
succes feeredelijk en evenredig zijn, zoals [verweerster] heeft betoogd onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad in de zaak AIB/Novisem. In dit geval heeft [verweerster] echter zelf aangevoerd dat de
succes feekomt bovenop ‘het gebruikelijke tarief’. Daarvan uitgaande leidt de ophoging van de kosten met een
succes feein dit geval tot een ongewoon hoog honorarium in de zin van het arrest van het Hof van Justitie in de zaak United Video. Bovendien heeft [verweerster] zelf aangevoerd dat haar advocaat in geen geval meer declareert dan in hoger beroep wordt toegewezen. Gelet daarop leidt afwijzing van de
succes feeer ook niet toe dat [verweerster] minder kosten vergoed krijgt dan zij heeft gemaakt.
2.88. Op grond van het voorgaande zal het hof de proceskosten van [verweerster] in de zaak tegen [eiseressen] in eerste aanleg begroten op € 131.422,96 (€ 146.220,96 + € 5.202,00 - € 20.000,00). Haar kosten van het hoger beroep zullen worden begroot op € 130.498,50 (€ 107.501,50 + € 22.997).”
1.26 [eiseres 1] en [eiseres 2] hebben tijdig cassatieberoep ingesteld. Zij hebben (samengevat) geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraken, veroordeling van [verweerster] tot terugbetaling van hetgeen [eiseres 1] en [eiseres 2] uit hoofde van deze uitspraken hebben voldaan en zullen voldoen, kosten rechtens en voor zover toepasselijk vergoeding van de kosten conform art. 1019h Rv. [verweerster] is niet verschenen en tegen haar is verstek verleend. [eiseres 1] en [eiseres 2] hebben hun standpunt schriftelijk laten toelichten. Hierbij hebben zij een overzicht gegeven van de gemaakte proceskosten in cassatie.

2.Bespreking van het cassatieberoep

Inleiding
2.1
Het cassatieberoep bestaat uit tien paragrafen. Paragrafen 1-4 hebben een inleidend karakter (inleiding, procespartijen in cassatie, geen ondeelbare rechtsverhouding en feiten). In paragrafen 5-8 zijn vier onderdelen (middelen) geformuleerd en toegelicht. Het eerste en tweede onderdeel stellen aan de orde dat [eiseres 2] in eerste aanleg niet is gedagvaard en dat [eiseres 1] al in 2006 is ontbonden. Het derde onderdeel gaat over de kwekersrechtelijke kwalificatie van de bloembollen. Het vierde onderdeel ziet op de proceskosten. Paragrafen 9-10 vormen de afronding (overig en conclusie). Er zijn zeven bijlagen aangehecht, die in feitelijke instanties als producties in het geding zijn gebracht.
Ontvankelijkheid [eiseres 1]
2.2
Allereerst ga ik in op de ontvankelijkheid van [eiseres 1] in cassatie. Naar de eigen stellingen van [eiseressen] in feitelijke instanties is [eiseres 1] in 2006 opgehouden te bestaan [7] . Het hof heeft deze stelling niet gevolgd en heeft geoordeeld dat [eiseres 2] de voortzetting is van [eiseres 1] met behoud van identiteit. In het cassatieberoep is wederom aangevoerd dat [eiseres 1] sinds 2006 niet meer bestaat [8] . Daarmee rijst de vraag of [eiseres 1] in haar cassatieberoep kan worden ontvangen. Ik meen van wel. In de faillissementszaak
Adjuncten Properties/Söderqvist [9] oordeelde Uw Raad dat een partij die aanvoert dat zij is opgehouden te bestaan, maar daarin door de rechter niet wordt gevolgd, in hoger beroep moet kunnen komen om haar standpunt aan de appelrechter voor te leggen. Op grond van diezelfde redenering kan [eiseres 1], ondanks het eigen betoog dat zij niet meer bestaat, naar mijn mening worden ontvangen in haar cassatieberoep.
Bespreking van de klachten
2.3
Het
eerste onderdeel, dat bestaat uit drie subonderdelen, bestrijdt het oordeel in rov. 2.1-2.3 van het eindarrest [10] dat [eiseres 1] en [eiseres 2] dezelfde partij zijn.
2.4
In dat verband stel ik voorop dat zowel de vof als de CV personenvennootschappen zijn. Een personenvennootschap heeft geen rechtspersoonlijkheid, maar heeft wel tot op zekere hoogte een zelfstandige positie ten opzichte van de vennoten [11] en heeft ook een afgescheiden vermogen [12] . De grondvorm van de personenvennootschap is de maatschap (art. 7A:1655-1688 BW); de vof (art. 16 e.v. WvK) en de CV (art. 19 e.v. WvK) zijn bijzondere toepassingen [13] . De vof is een bij overeenkomst aangegane rechtsverhouding strekkende tot de uitoefening van een bedrijf onder gemeenschappelijke naam in een duurzaam samenwerkingsverband [14] . Iedere vennoot is hoofdelijk verbonden voor de verbintenissen van de vof (art. 18 WvK Pro) [15] . De CV is een vennootschap die is aangegaan bij wijze van geldschieting tussen één of meer hoofdelijk verbonden vennoten en één of meer geldschieters [16] . De aansprakelijkheid van de geldschieter is beperkt tot zijn inbreng (art. 20 lid 3 WvK Pro) [17] .
2.5
Bij het toetreden of uittreden van een vennoot wordt een vof of CV in principe zonder ontbinding voortgezet met behoud van haar identiteit. In de literatuur wordt algemeen aangenomen dat de vennootschap ook wordt voortgezet als de vorm van de vennootschap vanwege het toetreden van een commandiet verandert van vof naar CV, maar de identiteit van de vennootschap inhoudelijk niet wijzigt [18] . Daar is veel voor te zeggen en weinig tegen. De vof en de CV zijn nauw verwant (zie hiervoor in 2.4) en er gelden (anders dan bij rechtspersonen) geen formele oprichtingsvereisten. Verder sluit het uitgangspunt van voortzetting bij een wijziging van vof naar CV aan bij het ingetrokken Wetsvoorstel personenvennootschappen en het Duitse recht [19] . Een verandering van de vorm van de vennootschap van vof naar CV betekent dus niet noodzakelijk dat een nieuwe personenvennootschap ontstaat; er is sprake van een voortzetting indien de identiteit van de vennootschap inhoudelijk niet is veranderd.
2.6
In onze zaak heeft het hof op vijf gronden aangenomen dat [eiseres 2] een voortzetting is van [eiseres 1] met behoud van identiteit: (1) [eiseres 2] heeft de onderneming van [eiseres 1] met alle rechten en verplichtingen voortgezet, (2) [eiseres 2] heeft dezelfde beherende vennoten als [eiseres 1], (3) [eiseres 2] neemt vanaf hetzelfde adres en onder dezelfde handelsnaam deel aan het rechtsverkeer als [eiseres 1] heeft gedaan, (4) de uitschrijving van [eiseres 1] en de inschrijving van [eiseres 2] is pas jaren na de ingeschreven ingangsdatum van de voortzetting geregistreerd in het handelsregister en (5) gesteld noch gebleken is dat het vennootschapsvermogen van [eiseres 1] na de voortzetting van de onderneming door [eiseres 2] is vereffend en verdeeld (eindarrest, rov. 2.2).
2.7
Ik kom nu toe aan de klachten die in het eerste onderdeel zijn geformuleerd. Volgens het
eerste subonderdeelheeft het hof ten onrechte geoordeeld dat [eiseres 2] zozeer vereenzelvigd dient te worden met de door [eiseres 1] geëxploiteerde onderneming dat [eiseres 2] aansprakelijk is voor de schulden van [eiseres 1] (althans voor de schuld aan [verweerster]). Een zodanige vereenzelviging vindt volgens het subonderdeel geen grondslag in het recht. Subsidiair wordt aangevoerd dat een dergelijke vereenzelviging slechts aan de orde kan zijn bij misbruik van identiteitsverschil waardoor de schuldeiser is benadeeld in zijn verhaal. Mocht het hof hebben geoordeeld dat [verweerster] in zijn verhaal is benadeeld, dan is onbegrijpelijk op welke feiten dit oordeel berust, mede in het licht van de verweren van [eiseressen] [20] . In de toelichting wordt verwezen naar het arrest
Roco/Staat [21] .
2.8
Het subonderdeel gaat er vanuit dat het hof twee te onderscheiden partijen zozeer heeft vereenzelvigd dat de ene partij aansprakelijk is voor één of meer schulden van de andere partij. Het subsidiaire gedeelte van de klacht sluit kennelijk aan bij de (tot terughoudendheid nopende) maatstaf over vereenzelviging van rechtspersonen [22] . Het oordeel van het hof berust echter niet op vereenzelviging van twee afzonderlijke partijen. Volgens het hof is [eiseres 2] een voortzetting van [eiseres 1] met behoud van identiteit en zijn [eiseres 1] en [eiseres 2] daarom één en dezelfde partij. Het hof is dus niet van oordeel dat [eiseres 1] en [eiseres 2] verschillende partijen zijn die (in ieder geval voor deze schuld) vereenzelvigd moeten worden.
2.9
De vergelijking met het arrest
Roco/Staatgaat om die reden ook niet op. Dat arrest betreft een onderneming die aanvankelijk als eenmanszaak werd gedreven en later door Roco B.V. is voortgezet. Naar het oordeel van Uw Raad had het hof onterecht beslist dat een schuld, die vóór de oprichting van Roco B.V. was ontstaan, als aan de onderneming verbonden schuld op Roco B.V. was overgegaan. In dit arrest ging het dus om twee verschillende partijen (de natuurlijke persoon die de onderneming als eenmanszaak had gedreven en de rechtspersoon Roco B.V.). In onze zaak is daarentegen juist geoordeeld dat [eiseres 1] en [eiseres 2] dezelfde partij zijn.
2.1
Het eerste subonderdeel is dus vergeefs voorgesteld.
2.11
Het
tweede subonderdeelvangt aan met de klacht dat het hof [eiseres 1] en [eiseres 2] ten onrechte heeft aangemerkt als dezelfde partij, waar het hier gaat om twee species van de maatschap, twee verschillende personenassociaties, die ieder in de periode van hun activiteiten aan het rechtsverkeer deelnamen c.q. deelnemen.
2.12
Ook deze klacht lijkt mij tevergeefs. Zowel de vof als de CV zijn personenvennootschappen en hebben dus geen eigen rechtspersoonlijkheid (zie hiervoor in 2.4). Een wijziging van vof naar CV betekent niet noodzakelijk dat een nieuwe personenvennootschap ontstaat. Zoals wij in 2.5 zagen, is sprake van een voortzetting van de personenvennootschap indien de vorm wijzigt van vof naar CV, maar de identiteit van de vennootschap inhoudelijk onveranderd blijft. In onze zaak heeft het hof gemotiveerd aangegeven waarom [eiseres 2] naar zijn oordeel een voortzetting van [eiseres 1] is met behoud van identiteit (zie hiervoor in 2.6). Het hof mocht daarom oordelen dat [eiseres 1] en [eiseres 2] één en dezelfde partij zijn.
2.13
Verder betoogt het tweede subonderdeel dat het hof voorbij is gegaan aan de volgende vijf essentiële stellingen van [eiseressen]: de VOF-overeenkomst is in 2006 ontbonden, het gebonden vermogen is in 2006 geliquideerd, de CV-overeenkomst is een nieuwe samenwerkingsovereenkomst, er is geen sprake van een toetreding tot de oude samenwerking en de CV is de nieuwe eigenaar van de onderneming. Daartoe wordt gewezen op passages uit de processtukken in feitelijke instanties [23] .
2.14
In de aangehaalde alinea’s heb ik de genoemde stellingen niet gelezen. Wel is in die alinea’s, voor zover relevant, aangevoerd: (1) dat [eiseres 1] in 2006 is opgeheven (2) dat de CV dateert van 2006, (3) dat de CV niet dezelfde partij is als de VOF en (4) dat de vennoten niet dezelfde zijn; de commandiet is een nieuwe partij. Ook staat in cassatie vast (5) dat [eiseres 2] de onderneming van [eiseres 1] heeft voortgezet. Het hof heeft dit namelijk onbestreden vastgesteld (eindarrest, rov. 2.2).
2.15
In de toelichting op het onderdeel wordt verder een beroep gedaan op de stelling (6) dat [eiseres 2] in het handelsregister is ingeschreven onder een ander nummer dan [eiseres 1] [24] . Voor die stelling is voldoende grondslag in de gedingstukken [25] .
2.16
Volgens mij heeft het hof niet voorbij gezien aan deze stellingen (1)-(6). Bij zijn oordeel dat sprake is van een voortzetting met behoud van identiteit heeft het hof meegewogen dat [eiseres 2] de onderneming van [eiseres 1] heeft voortgezet (eindarrest, rov. 2.2, eerste gedachtestreepje). Ook heeft het hof onderkend dat een commandiet is toegetreden tot de vennootschap, dat in verband daarmee de vorm van de vennootschap is omgezet van een vof in een CV en dat [eiseres 2] (jaren later) onder een ander nummer is ingeschreven in het handelsregister. Volgens het hof zijn deze feiten in de gegeven omstandigheden onvoldoende om [eiseres 2] aan te merken als een andere partij dan [eiseres 1] (eindarrest, rov. 2.2, laatste tekstblok). Onbegrijpelijk is dit bepaald niet. Geen van de genoemde stellingen duidt op een materieel identiteitsverschil tussen [eiseres 1] en [eiseres 2].
2.17
Het tweede subonderdeel kan daarom evenmin slagen.
2.18
Het
derde subonderdeelricht een motiveringsklacht tegen het oordeel dat [eiseres 2] alle rechten en verplichtingen van [eiseres 1] heeft overgenomen. Het subonderdeel acht onbegrijpelijk dat hiertoe ook een eventuele verplichting aan [verweerster] zou kunnen behoren. Het subonderdeel wijst erop dat de overdracht van de onderneming aan [eiseres 2] op 23 juli 2006 plaatsvond, dat de vermeende vordering van [verweerster] pas in 2010 is ontstaan en dat zowel [eiseres 1] als [eiseres 2] het bestaan van die vordering gedurende en na 2010 hebben betwist.
2.19
Dit subonderdeel faalt naar mijn mening eveneens. Het hof heeft overwogen dat [eiseres 2] de onderneming van [eiseres 1] met alle rechten en verplichtingen heeft voortgezet. Die overweging maakt deel uit van de motivering van het oordeel dat [eiseres 2] de voortzetting is van [eiseres 1] met behoud van identiteit. In het oordeel ligt niet besloten dat [eiseres 2] een eventuele verplichting aan [verweerster] heeft overgenomen. Dat is ook niet nodig. [eiseres 2] en [eiseres 1] zijn volgens het hof één en dezelfde partij en hebben dus ook dezelfde verplichtingen.
2.2
Tot slot herhaalt het subonderdeel nog het standpunt dat [eiseres 1] in 2006 is beëindigd en dat [eiseres 1] en [eiseres 2] niet dezelfde personenassociatie zijn [26] . In zoverre faalt de klacht op dezelfde gronden als het tweede subonderdeel.
2.21
Het
eerste onderdeeltreft volgens mij dus geen doel.
2.22
Het
tweede onderdeelkomt eveneens op tegen rov. 2.1-2.3 van het eindarrest [27] . Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat [verweerster] geen belang heeft bij haar vorderingen tegen [eiseres 1] vanwege de liquidatie van het afgescheiden vermogen. Verder acht [eiseressen] het oordeel onvoldoende gemotiveerd in het licht van de essentiële stellingen dat [eiseres 1] in 2006 is ontbonden en dat de vof sinds 2006 geen vermogen meer heeft [28] . De toelichting wijst op het volgende. [verweerster] heeft alleen [eiseres 1] en niet de vennoten gedagvaard. Zij gaat er ook vanuit dat [eiseres 1] sinds 2006 geen activiteiten en bezittingen meer heeft [29] . Uit het arrest
UXV/X q.q.blijkt dat een vordering die uitsluitend tegen de vof is toegewezen niet kan worden verhaald op het privé-vermogen van de vennoten [30] .
2.23
Deze klacht mist feitelijke grondslag. Volgens het hof is gesteld noch gebleken dat het vennootschapsvermogen van [eiseres 1] is vereffend en verdeeld (eindarrest, rov. 2.2). Die vaststelling is feitelijk en niet onbegrijpelijk. In de genoemde alinea’s uit de processtukken van [eiseressen] en [verweerster] heb ik niet de stelling gelezen dat het vermogen van [eiseres 1] is geliquideerd of dat [eiseres 1] geen vermogen/bezittingen meer heeft. Daarnaast faalt de klacht in het kielzog van het eerste onderdeel. Het hof heeft geoordeeld dat [eiseres 1] en [eiseres 2] één en dezelfde partij zijn. Dat oordeel wordt volgens mij tevergeefs bestreden. Ook om die reden kan niet worden gezegd dat het afgescheiden vermogen is geliquideerd.
2.24
In de toelichting op het tweede onderdeel wordt ten slotte nog verdedigd dat [eiseres 1] na de ontbinding en liquidatie van het afgescheiden vermogen niet meer in rechte kon worden betrokken [31] . Deze klacht faalt om de hiervoor in 2.23 vermelde redenen. Tevens ketst de klacht af op de in rov. 4.4 van het vonnis genoemde gronden. [verweerster] heeft de zaak aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 1 oktober 2010. De beëindiging van [eiseres 1] is pas nadien, op 22 oktober 2010, ingeschreven in het handelsregister. Weliswaar is een eerdere ingangsdatum van de wijziging geregistreerd, maar deze kan niet tegen derden worden ingeroepen (art. 25 lid 1 Handelsregisterwet Pro 2007). Een reeds aanhangige procedure kan worden voortgezet in het geval (wordt ingeschreven dat) de gedaagde partij ophoudt te bestaan [32] . Dit betekent dat [eiseres 1] op 1 oktober 2010 in rechte kon worden betrokken en dat [verweerster] de procedure vervolgens ook mocht voortzetten.
2.25
Het
tweede onderdeelis dus vergeefs voorgesteld.
2.26
Het
derde onderdeelbetreft de kwalificatie van de bloembollen naar Nederlands kwekersrecht en communautair kwekersrecht. Hierbij stel ik het volgende voorop.
Juridisch kader Nederlands kwekersrecht
2.27
De internationale ontwikkeling van het kwekersrecht is na de tweede wereldoorlog op gang gekomen. In 1961 is het UPOV-verdrag [33] (“Union pour la Protection des Obtentions Végétales” [34] ) gesloten, dat voor Nederland in 1966 in werking trad [35] . Om te voldoen aan dit verdrag heeft Nederland in 1967 de ZPW ingevoerd [36] . De bescherming richtte zich op teeltmateriaal. In 1991 is het UPOV-verdrag ingrijpend herzien [37] . De in 1991 herziene versie van het UPOV-verdrag is voor Nederland in 1996 bij wet goedgekeurd en in werking getreden in 1998. Bij dezelfde wet is de ZPW gewijzigd om aan de nieuwe verdragsverplichtingen tegemoet te komen [38] . De bescherming is uitgebreid met onder meer een bepaling over oogstmateriaal [39] . In 2005 is de ZPW aangepast [40] om knelpunten in de werking van de wet op te lossen [41] .
2.28
Art. 1 onder Pro f ZPW geeft als definitie van teeltmateriaal: planten en plantendelen, die bestemd zijn om voor de teelt van gewassen of ter vermeerdering te dienen dan wel daartoe gebruikt worden. De woorden “dan wel daartoe gebruikt worden” zijn in 2005 toegevoegd. Verder is de definitie sinds 1967 materieel ongewijzigd gebleven [42] .
2.29
Op grond van art. 57 lid 1 ZPW Pro heeft de houder van het kwekersrecht het uitsluitende recht teeltmateriaal voort te brengen of verder te vermeerderen, ten behoeve van de vermeerdering te behandelen, in de handel te brengen, in en uit te voeren en voor één van deze doelen in voorraad te hebben [43] . Anderen mogen deze handelingen niet verrichten tenzij krachtens de wet of door de houder van het recht toestemming is verleend (art. 57 lid 2 ZPW Pro). Een uitzondering geldt voor handelingen in de privésfeer (art. 57 lid 3 onder Pro a ZPW). Het uitsluitende recht is ook van toepassing op geoogst materiaal dat is verkregen door gebruik van teeltmateriaal waarvoor geen toestemming is verleend, tenzij de houder van het kwekersrecht redelijkerwijs zijn recht met betrekking tot het teeltmateriaal had kunnen uitoefenen (art. 57 lid 4 ZPW Pro).
Juridisch kader communautair kwekersrecht
2.3
Bij de Europese Verordening GKVo [44] is een communautaire beschermingsregeling voor kweekprodukten ingesteld. Deze regeling is de enige vorm van communautaire bescherming van industriële eigendom met betrekking tot plantenrassen (art. 1). De GKVo is deels per 1 september 1994 en deels per 27 april 1995 in werking getreden (art. 118). Zij beoogt, net als de ZPW, te beantwoorden aan het UPOV-verdrag [45] .
2.31
In art. 5 lid 3 GKVo Pro is het volgende bepaald: “Een plantengroep bestaat uit volledige planten of plantedelen voor zover die delen volledige planten kunnen voortbrengen. Volledige planten en plantedelen worden hierna “componenten” genoemd.”
2.32
Uit een arrest van het HvJ EU van 19 december 2019 blijkt dat onder “componenten” moet worden verstaan: volledige planten en plantendelen voor zover die delen volledige planten kunnen voortbrengen [46] . Ik merk op dat de zinsnede “voor zover die delen volledige planten kunnen voortbrengen” niet voorkomt in de geciteerde tweede zin van art. 5 lid 3 GKVo Pro. Dat berust kennelijk op een vergissing (zie ook, onder verwijzing naar de Engelse, Franse en Duitse taalversies, tussenarrest, rov. 4.5).
2.33
Op grond van art. 13 lid 2 GKVo Pro is de toestemming van de houder vereist voor de volgende handelingen met betrekking tot componenten of oogstmateriaal van het beschermde ras: (a) voortbrengen of vermenigvuldigen, (b) conditioneren ten behoeve van de vermeerdering, (c) te koop aanbieden, (d) verkopen of op andere wijze in de handel brengen, (e) uitvoeren uit de Gemeenschap, (f) invoeren in de Gemeenschap en (g) opslaan voor één van de onder (a) tot en met (f) genoemde doeleinden [47] . Deze bepaling is eveneens van toepassing op oogstmateriaal dat werd verkregen door ongeoorloofd gebruik van componenten van het beschermde ras, tenzij de houder van het kwekersrecht een redelijke mogelijkheid heeft gehad om zijn recht met betrekking tot genoemde componenten uit te oefenen (art. 13 lid 3 GKVo Pro) [48] .
2.34
Richtlijn 98/56/EG [49] bevat regels over het in de handel brengen van teeltmateriaal van siergewassen. Deze richtlijn definieert teeltmateriaal als “plantmateriaal bestemd voor de vermeerdering van siergewassen of de productie van sierplanten” (art. 2 lid Pro 1) [50] . De regels uit Richtlijn 98/56/EG – die hier zijn vervat in art. 39-48 ZPW, het Besluit verhandeling teeltmateriaal [51] en de Regeling verhandeling teeltmateriaal [52] – beogen met name de herkomst en kwaliteit van het teeltmateriaal te waarborgen [53] .De ZPW moet worden uitgelegd in licht van de Richtlijnbepalingen.
Bespreking klachten derde onderdeel
2.35
Het derde onderdeel is gericht tegen rov. 4.3-4.7 van het tussenarrest. Uit de toelichting blijkt dat het onderdeel bestaat uit twee delen: (1) de kwalificatie van de bollen naar Nederlands recht en (2) de kwalificatie van de bollen naar Europees recht.
2.36
Onderdeel 3 (eerste gedeelte)bestrijdt het oordeel dat de bloembollen als teeltmateriaal in de zin van de ZPW kwalificeren. Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat de bestemming of het gebruik voor de teelt moet worden afgeleid uit de omstandigheden van het geval, waaronder de omschrijving bij het verhandelen, de prijs, de sortering of de verpakking en andere uiterlijke omstandigheden. In de toelichting wordt in dit kader gewezen op een arrest van de strafkamer van Uw Raad van 10 april 2001 [54] en daarin geciteerde passages uit de toelichting bij de ZPW 1967 over het begrip teeltmateriaal. In dat licht had het hof, zo verdedigt het onderdeel, moeten ingaan op de stellingen dat [betrokkene 1] de bollen van de beschermde rassen van [verweerster] al veel eerder in de grond heeft gezet, dat de bollen al fors groot waren (ruim boven maat 24), dat [betrokkene 1] de teelt heeft afgemaakt nadat [eiseressen] het bedrijf had overgenomen, dat die bollen 1 of 2 maten zijn gegroeid en zijn verkocht voor gebruik door consumenten [55] . Deze omstandigheden brengen mee dat sprake is van oogstmateriaal en niet van teeltmateriaal, aldus het onderdeel [56] .
2.37
In de toelichting op het onderdeel wordt daaraan nog toegevoegd dat het hof acht had moeten slaan op de situatie in de onderneming van [betrokkene 1] en de tussen [betrokkene 1] en [verweerster] gemaakte afspraken [57] . Voor wat betreft die afspraken refereert de toelichting aan art. 2 van Pro de licentieovereenkomst, waar bloeibare bollen worden omschreven als “eindprodukt” en niet als “plantmateriaal” [58] , en aan het afgesproken licentiebedrag van € 3.000,- exclusief BTW [59] . Bovendien wordt erop gewezen dat in veel gevallen geen beroep kan worden gedaan op de door het hof genoemde uitzondering voor handelingen in de privésfeer, bijvoorbeeld als het gaat om amaryllisbollen in een pot op kantoor of een rozenstruik in een gemeentelijk park. Daarom zou het aanmerken van bloembollen als teeltmateriaal in de zin van de ZPW resulteren in een te verstrekkende inbreuk in de levenssfeer en het eigendomsrecht [60] .
2.38
In mijn optiek blijkt uit de memorie van toelichting bij de ZPW 1967, die in voornoemd arrest van10 april 2001 wordt aangehaald, allereerst dat bollen onder de definitie van teeltmateriaal vallen als zij dienen voor de teelt van nieuwe planten [61] :
“De regelingen, welke het onderhavige ontwerp geeft, hebben betrekking op teeltmateriaal. Hieronder worden blijkens het eerste lid verstaan de planten en plantedelen, welke bestemd zijn om door middel van uitplant, uitzaai of op andere wijze voor de teelt van gewassen te dienen, zoals de jonge planten, bewortelde stekken, bollen en knollen, welke worden uitgeplant, het zaaizaad, dat uitgezaaid [wordt, A-G], en het ent- en oculatiehout, dat op andere wijze aangewend wordt om voor de teelt van nieuwe planten te dienen.”
2.39
Vervolgens wordt in de aangehaalde passage uit de memorie van toelichting uiteengezet dat onder teeltmateriaal niet het materiaal valt dat weliswaar voor de teelt kan worden aangewend, maar bestemd is voor consumptie. Deze bestemming dient dan aan de hand van de omstandigheden van het geval te worden bepaald [62] :
“Onder teeltmateriaal wordt in het ontwerp derhalve niet begrepen het materiaal, dat wel voor de teelt kan worden aangewend, bv. consumptiemateriaal van aardappelen, granen en peulvruchten, maar uitsluitend dat materiaal, dat de bestemming gekregen heeft om voor de teelt te worden gebezigd. Deze bestemming zal uit de feitelijke omstandigheden moeten worden afgeleid. Zij kan blijken uit de omschrijving bij het verhandelen, uit de prijs, de sortering of de verpakking dan wel uit andere uiterlijke omstandigheden.”
2.4
Ik maak hieruit op dat de bestemming van het plantenmateriaal aan de hand van de omstandigheden van het geval moet worden onderzocht wanneer het betreffende materiaal zowel kan worden gebruikt voor de teelt als voor de consumptie (waarbij valt te denken aan aardappelen, granen en peulvruchten) [63] . In die situatie kan immers uit de feitelijke omstandigheden blijken dat een plantendeel niet kwalificeert als teeltmateriaal omdat het niet voor de teelt, maar voor consumptiedoelen is bestemd.
2.41
In onze zaak gaat het om bloembollen die zijn bestemd voor de consumentenmarkt. In cassatie staat vast dat consumenten de bollen zullen gebruiken om er bloemen uit te laten groeien (tussenarrest rov. 4.4). Daaruit volgt dat hier sprake is van plantenmateriaal voor de teelt en niet voor consumptiedoeleinden. Het hof mocht bij die stand van zaken zonder verder onderzoek naar de omstandigheden van het geval oordelen dat de bloembollen kwalificeren als teeltmateriaal in de zin van de ZPW.
2.42
Anders dan [eiseressen] betoogt, leidt de kwalificatie van bloembollen als teeltmateriaal volgens mij niet tot een inbreuk in de levenssfeer en het eigendomsrecht, ook niet als de bollen op een kantoor of in een park zijn geplaatst. Bedacht moet worden dat het kwekersrecht in principe [64] is uitgeput als het materiaal door of met toestemming van de houder van het kwekersrecht in het verkeer is gebracht (art. 60 ZPW Pro) [65] .
2.43
Onderdeel 3 (tweede gedeelte)is gericht tegen de kwalificatie van de bloembollen als componenten onder de GKVo. Volgens het onderdeel moet het begrip component op dezelfde manier worden uitgelegd als het begrip teeltmateriaal. Het onderdeel verwijst in dat kader naar de definitie van teeltmateriaal in Richtlijn 98/56/EG. Verder stelt het onderdeel dat zowel componenten in de GKVo als teeltmateriaal in de ZPW moeten worden afgezet tegen oogstmateriaal. Bovendien zijn de Europese en de Nederlandse regeling beide te herleiden tot het UPOV Verdrag dat spreekt over “propagating material”. Daarom valt, aldus het onderdeel, niet aan te nemen dat de begrippen teeltmateriaal in de ZPW en component in de GKVo van elkaar verschillen.
2.44
Als componenten onder de GKVo kwalificeren volledige planten en plantendelen voor zover die delen volledige planten kunnen voortbrengen (zie hiervoor in 2.31-2.32). Deze omschrijving omvat alle plantendelen die kunnen worden gebruikt als teeltmateriaal, ongeacht de bestemming of het feitelijke gebruik. In die zin bestaat er een verschil met de definitie van het begrip teeltmateriaal in de ZPW [66] . Het UPOV Verdrag laat hier, als ik het goed zie, ruimte voor verschillende definities [67] .
2.45
Naar de onbestreden vaststelling van het hof is een bloembol een plantendeel dat een volledige plant kan voortbrengen (tussenarrest, rov. 4.5). Het hof heeft dus op goede gronden geoordeeld dat de bloembollen vallen onder het begrip componenten in de GKVo. Tot die conclusie zou ik overigens ook komen als het begrip component in de GKVo op dezelfde manier moet worden uitgelegd als het begrip teeltmateriaal in de ZPW, zoals het onderdeel stelt. In cassatie staat immers vast dat consumenten de bollen zullen gebruiken om er bloemen uit te laten groeien (zie hiervoor in 2.41).
2.46
De verwijzing naar Richtlijn 98/56/EG gaat niet op. Deze richtlijn heeft met name betrekking op de herkomst en kwaliteit van teeltmateriaal dat in de handel wordt gebracht en niet gaat over de bescherming van kwekersrecht (zie hiervoor in 2.34).
2.47
Op dit een en ander strandt het
derde onderdeel.
2.48
Het
vierde onderdeelbetreft de veroordeling van [eiseressen] in de proceskosten van [verweerster] op de voet van art. 1019h Rv (eindarrest, rov. 2.81-2.88).
2.49
Ik stel voorop dat procedures op grond van de ZPW en de GKVo kwalificeren als IE-zaken volgens art. 1019 Rv Pro. Art. 1019h Rv bepaalt ten aanzien van de proceskosten in IE-zaken dat de in het ongelijk gestelde partij desgevorderd wordt veroordeeld in de redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet [68] . De gevorderde kosten dienen zodanig tijdig te worden opgegeven en gespecificeerd dat de wederpartij zich daartegen naar behoren kan verweren [69] . Naar moet worden aangenomen, vallen ook werkzaamheden die verband houden met processuele kwesties in een IE-zaak onder het bereik van art. 1019h Rv [70] . De rechter beslist ambtshalve over de toewijsbaarheid van de gevorderde proceskosten [71] .
2.5
Art. 1019h Rv vormt een implementatie van art. 14 van Pro de Handhavingsrichtlijn. Deze richtlijn is van toepassing als het gaat om de aspecten die inherent zijn aan enerzijds de handhaving van intellectuele eigendomsrechten en anderzijds het doen staken of verhelpen van de inbreuken op die rechten [72] . Kwekersrecht is een IE-recht dat onder het bereik van deze richtlijn valt [73] . In het arrest
United Video/Telenet [74] overwoog het HvJ EU dat art. 14 van Pro de Handhavingsrichtlijn zich verzet tegen forfaitaire tarieven die niet waarborgen dat minstens een significant en passend deel van de redelijke kosten van de in het gelijk gestelde partij door de verliezende partij wordt gedragen.
2.51
De begroting van proceskosten is een beslissing van feitelijke aard die geen motivering behoeft [75] . De rechtbanken, gerechtshoven en de Hoge Raad hebben ieder Indicatietarieven voor IE-zaken vastgesteld. Deze indicatietarieven behelzen slechts de rechter niet bindende richtlijnen, vormen geen recht in de zin van art. 79 RO Pro [76] en voorzien in de mogelijkheid om in bijzondere gevallen af te wijken (zie punt 7 (b) van de Indicatietarieven 2017 van de rechtbanken, gerechtshoven en de Hoge Raad). In onze zaak is het hof met zoveel woorden afgeweken van de indicatietarieven. Volgens het hof bieden deze tarieven hier geen goede indicatie van de redelijkheid en evenredigheid, omdat door de (onjuiste) stelling van [eiseressen] dat de bollen van de beschermde rassen zijn versnipperd uitzonderlijk veel bewijsverrichtingen nodig waren (eindarrest, rov. 2.85).
2.52
Ik kom toe aan de klachten. Het onderdeel, dat drie subonderdelen bevat, bestrijdt de veroordeling van [eiseressen] in de proceskosten ex art. 1019h Rv en de hoogte hiervan.
2.53
Volgens het
eerste subonderdeelheeft het hof miskend dat de in het ongelijk gestelde partij desgevorderd wordt veroordeeld in de redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt. Als het hof dit niet heeft miskend, is het oordeel onbegrijpelijk. Het subonderdeel stelt in dit verband dat [verweerster] in overwegende mate in het ongelijk is gesteld gezien haar overmatige en steeds verhoogde vorderingen. Verder wordt in het subonderdeel aangevoerd dat het hof niet is ingegaan op de essentiële stelling dat de door [verweerster] gevorderde kosten niet aan de dubbele redelijkheidstoets voldoen en onevenredig zijn. Daartoe betoogt het subonderdeel dat het belang van de zaak beperkt is tot € 3.000 plus BTW aan gemiste licentievergoeding, dat sprake is van een geringe inbreuk en dat vele malen is aangeboden om voor de licentie te betalen. Tot slot bepleit het subonderdeel dat onvoldoende verband bestaan met het procederen over IE-rechten [77] . De procesinleiding vermeldt tussen haakjes “o.a. Polenhotel”. Daarmee doelt [eiseressen] kennelijk op deze stelling in pleitnota HB (2), p. 5: “Ridicuul is de post “bestuderen beslissing inzake Polenhotel”. Wat heeft dat met deze zaak te maken?” [78]
2.54
Ik ga eerst in op de vraag of het hof [eiseressen] als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij mocht aanmerken. Art. 1019h Rv beoogt ten aanzien van het begrip “in het ongelijk gestelde partij” niet af te wijken van art. 237 Rv Pro [79] . De hoofdregel van art. 237 Rv Pro is dat de partij die geheel of grotendeels in het ongelijk wordt gesteld in de proceskosten wordt veroordeeld. De vraag welke partij (overwegend) in het ongelijk is gesteld, berust op een vergelijking tussen de vordering en hetgeen is toegewezen [80] en wordt verder overgelaten aan de feitenrechter [81] . In onze zaak vorderde [verweerster] een inbreukverbod, een bevel tot afgifte van inbreukmakend plantmateriaal en tot het doen van opgave van de winst, één en ander op straffe van een dwangsom, een veroordeling tot € 432.989,42 terzake van schadevergoeding/winstafdracht en voor het overige verwijzing naar de schadestaat. Het hof heeft zowel het inbreukverbod als het bevel tot afgifte met dwangsom als schadevergoeding toegewezen voor een bedrag van € 201.046,63. In dat licht is niet onbegrijpelijk dat het hof [eiseressen] als de overwegend in het ongelijk gestelde partij heeft aangemerkt.
2.55
Het hof was vervolgens niet gehouden om nader in te gaan op de stelling dat het belang van de zaak beperkt is tot € 3.000 plus BTW aan gemiste licentievergoeding en dat de gevorderde proceskosten daarom onevenredig zijn. Naar het oordeel van het hof is geen licentieovereenkomst tussen [eiseressen] en [verweerster] tot stand gekomen (tussenarrest, rov. 2.12) en kan niet worden aangenomen dat is betaald voor een licentie voor [eiseressen] (tussenarrest, rov. 4.9 en eindarrest, rov. 2.51-2.52). In deze onbestreden overwegingen ligt een verwerping besloten van het standpunt dat het belang van de zaak beperkt is tot € 3.000 aan gemiste licentievergoeding.
2.56
Overigens merk ik nog op dat [eiseressen] haar stelling baseert op een factuur van [A] aan [betrokkene 1] die sluit op een bedrag van € 3.587,89 (inclusief BTW) [82] . Deze factuur noemt een totaal aantal van 2.445 bollen. Het hof gaat er echter onbestreden vanuit dat [eiseressen] in 2010 88.175 bollen heeft verkocht en in 2011 nog eens 60.000 (750 * 80) bollen (eindarrest, rov. 2.60-2.61 en 2.70). De factuur betreft dus een fractie van het aantal bollen waar het in onze zaak om gaat.
2.57
Dat in onze zaak ook een processuele kwestie speelde (het verweer dat [eiseres 1] sinds 2006 niet meer bestaat en dat [eiseres 2] had moeten worden gedagvaard), doet aan de toepasselijkheid van art. 1019h Rv niet af (zie hiervoor in 2.49). Verder is het standpunt dat de proceskosten onvoldoende in verband staan met het procederen over IE-rechten alleen toegelicht met een verwijzing naar een post met de omschrijving “bestuderen beslissing inzake Polenhotel”. Die verwijzing refereert aan de omschrijving van een tijdsbesteding van 18 minuten [83] . Het hof behoefde hierin geen gemotiveerde betwisting van de redelijkheid en evenredigheid van de gevorderde proceskosten te lezen en mocht de stelling dus onbesproken laten.
2.58
Voor de stelling dat sprake is van een geringe inbreuk worden geen vindplaatsen in de gedingstukken genoemd. Gezien de toegewezen schadevergoeding van € 201.046,63 kan ook niet (zonder meer) van een geringe inbreuk worden gesproken.
2.59
Het
eerste subonderdeelis volgens mij daarom ongegrond.
2.6
Het
tweede subonderdeelacht onjuist of onbegrijpelijk dat het hof bij de proceskostenveroordeling in eerste aanleg de vordering van [verweerster] inclusief BTW toewijst. [verweerster] kan deze kosten namelijk als besloten vennootschap in vooraftrek brengen. [eiseressen] verwijst naar de opstelling van de kosten in eerste aanleg die uitkomt op € 146.220,96 [84] . Volgens de toelichting maakt een vergelijking met de onderliggende facturen duidelijk dat dit bedrag inclusief BTW is [85] . Voor wat betreft de proceskoten in hoger beroep lijkt het hof de BTW niet voor vergoeding in aanmerking te laten komen. Het hof hanteert in rov. 2.88 van het eindarrest de genoemde kosten voor het hoger beroep exclusief BTW, aldus het subonderdeel [86] .
2.61
Dit subonderdeel faalt volgens mij bij gebrek aan feitelijke grondslag. Er wordt niet verwezen naar stellingen in de gedingstukken in feitelijke instanties waarmee [eiseressen] heeft aangevoerd dat [verweerster] bij haar vordering tot vergoeding van de proceskosten in eerste aanleg ten onrechte uitgaat van een bedrag inclusief BTW.
2.62
Het
derde subonderdeelbetoogt dat het hof ten onrechte heeft nagelaten om (zonodig ambtshalve) toepassing te geven aan de billijkheidscorrectie van art. 1019h Rv (“tenzij de billijkheid zich hiertegen verzet”). Dat het hof de billijkheidscorrectie niet toepast, acht het subonderdeel verder onbegrijpelijk gezien de essentiële stelling dat het belang van [verweerster] is beperkt tot € 3.000 aan gemiste licentievergoeding. Het hof had het beroep op de billijkheidscorrectie niet onbehandeld mogen laten [87] .
2.63
Dit subonderdeel kan evenmin slagen. Voor toepassing van de billijkheidscorrectie van art. 1019h Rv is alleen plaats als een beroep wordt gedaan op in dat kader relevante feiten en omstandigheden [88] . Het subonderdeel wijst in dat verband uitsluitend op de stelling dat het belang van [verweerster] beperkt is tot een gemiste licentievergoeding van € 3.000. Zoals hiervoor in 2.55 aan de orde kwam, ligt in het oordeel van het hof naar mijn mening een verwerping van die stelling besloten.
2.64
Dit betekent dat ook het
vierde onderdeelvergeefs is voorgesteld.
2.65
Daarmee acht ik het cassatieberoep ongegrond. Bij die stand van zaken kom ik niet toe aan de vordering van [eiseressen] tot terugbetaling van hetgeen zij op grond van het hofarrest aan [verweerster] heeft voldaan. Overigens lijkt deze vordering mij ook niet toewijsbaar als Uw Raad toch vernietigt en verwijst. Volgens vaste rechtspraak is in cassatie alleen plaats voor een veroordeling tot terugbetaling van hetgeen waartoe een partij in de bestreden uitspraak is veroordeeld indien Uw Raad die uitspraak vernietigt en het geding op de voet van art. 420 Rv Pro zelf afdoet [89] .

3.Conclusie

Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.De feiten zijn ontleend aan rov. 2.2-2.12 van het tussenarrest: Hof Den Haag 13 februari 2018, zaaknummer 200.204.297/01, IEPT 20180213. De weergave van het procesverloop is onder meer gebaseerd op rov. 1.1-1.2 en 3.1-3.4 van dat tussenarrest en rov. 1.2 van het eindarrest: Hof Den Haag 29 oktober 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2803, IEPT 20191029.
2.In eerste aanleg waren tevens [betrokkene 1], [betrokkene 3] en [betrokkene 2] gedagvaard. Er waren dus vier gedaagden (en niet vijf, zoals in paragraaf 3 onder 1 van het cassatieberoep is vermeld). [betrokkene 2] was ook nog als geïntimeerde betrokken bij het appel. In cassatie spelen de zaken tegen die partijen geen rol meer en ik laat deze daarom buiten beschouwing.
3.Prod. 1 cva.
4.ECLI:NL:RBDHA:2016:7375, IEF 16125, IEPT 20160706.
5.Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van de Europese Unie van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht, Pb EG L 227/1.
6.Prod. A16-1 akte uitlating na tussenarrest [verweerster] van 13 maart 2018.
7.Cva nr. 1, pleitnota [eiseressen] EA, nr. 2 en akte [eiseressen] van 10 april 2018 over ontvankelijkheid appellante, nrs. 6 en 8.
8.Procesinleiding in cassatie, middel 1, onder A en middel 2, onder C sub 12.
9.HR 27 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1631, NJ 1995/579 m.nt. J.M.M. Maeijer, TVVS 1995/87 m.nt. M.Y. Nethe. Zie ook: B.T.M. van der Wiel (red.), Cassatie (BPP nr. 20) 2019/191, GS Burgerlijke Rechtsvordering (E.D. van Geuns en M.V.E.E. Jansen), art. 332 Rv Pro, aant. 11, Asser/Maeijer & Kroeze, 2-I 2015/405 en Snijders/Wendels, Civiel appel (BPP nr. 2) 2009/116.
10.De verwijzing in middel 1 onder B eerste tekstblok naar rov. 2.1-2.3 van het tussenarrest berust kennelijk op een vergissing. Evident is dat de klacht rov. 2.1-2.3 van het eindarrest bestrijdt.
11.HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:649, NJ 2019/438 m.nt. F.M.J. Verstijlen, JAR 2019/128 m.nt. E. Loesberg, JOR 2019/173 m.nt. N.E.D. Faber, JIN 2019/104 m.nt. E.S. Ebels, TvI 2019/29 m.nt. J.B. Huizink, Ondernemingsrecht 2019/151 m.nt. V.R. Feenstra, AA20190991 m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers (
12.HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1315, RvdW 2020/925, JIN 2020/139 m.nt. R.A.G. de Vaan, JOR 2020/227 m.nt. D.F.H. Stein, HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:649, NJ 2019/438 m.nt. F.M.J. Verstijlen, JAR 2019/128 m.nt. E. Loesberg, JOR 2019/173 m.nt. N.E.D. Faber, JIN 2019/104 m.nt. E.S. Ebels, TvI 2019/29 m.nt. J.B. Huizink, Ondernemingsrecht 2019/151 m.nt. V.R. Feenstra, AA20190991 m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers (
13.J.J.A. Hamers en L.P.W. van Vliet, Inleiding personenvennootschappen, 2019, nr. 1.3, Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2017/5, A.J.S.M. Tervoort, Het Nederlandse personenvennootschapsrecht (R&P ONR8) 2015/1.2, Asser/Maeijer & Kroeze, 2-I 2015/162 en Assink/Slagter, Compendium Ondernemingsrecht, deel 2, 2013, § 99.1 (p. 1871).
14.HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:649, NJ 2019/438 m.nt. F.M.J. Verstijlen, JAR 2019/128 m.nt. E. Loesberg, JOR 2019/173 m.nt. N.E.D. Faber, JIN 2019/104 m.nt. E.S. Ebels, TvI 2019/29 m.nt. J.B. Huizink, Ondernemingsrecht 2019/151 m.nt. V.R. Feenstra, AA20190991 m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers (
15.De vennoten zijn tevens hoofdelijk aansprakelijk voor schulden die voor hun aantreden zijn ontstaan: HR 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:588, NJ 2015/241 m.nt. P. van Schilfgaarde, Ondernemingsrecht 2015/50 m.nt. A.J.S.M. Tervoort, TBR 2015/155 m.nt. K.H.M. de Roo, JIN 2015/128 m.nt. E.E.G. Gepken-Jager, JOR 2015/134 m.nt. Chr.M. Stokkermans (
16.Chr.M. Stokkermans, Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102), diss., 2017/3.5.2.1, Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2017/347, A.J.S.M. Tervoort, Het Nederlandse personenvennootschapsrecht (R&P ONR8) 2015/3.4 en Assink/Slagter, Compendium Ondernemingsrecht, deel 2, 2013, § 99.1 (p. 1892-1899).
17.De commandiet is wel hoofdelijk verbonden als hij art. 20 lid 1 of Pro 2 WvK (verbod vermelding naam en verrichten van beheersdaden) overtreedt. Zie onder meer A.J.S.M. Tervoort, Het bestuursverbod bij de commanditaire vennootschap (IVOR nr. 93), diss., 2013, nr. 1.1.2.
18.GS Personenassociaties (W.J.M. van Veen), nrs. 4.1.2 en 4.1.6, J.J.A. Hamers en L.P.W. van Vliet, Inleiding personenvennootschappen, 2019, nr. 6.7.2, Chr.M. Stokkermans, Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102), diss., 2017/5.4.2.1, Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2017/247, Pitlo/Raaijmakers, Ondernemingsrecht (Pitlo-Serie nr. 2)
19.P.P.D. Mathey-Bal, De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97), diss., 2016, hoofdstuk 8, nr. 5 onder verwijzing naar Kamerstukken II, 2002-2003, 28 746, nr. 3, p. 71 (MvT ingetrokken wetsvoorstel personenvennootschappen) en A. Windbichler, Juristische Kurz-Lehrbücher. Gesellschaftsrecht, 2009, p. 509.
20.Gewezen wordt op cva nr. 1, pleitnota [eiseressen] EA, nr. 2, P-V pleidooi EA, p. 5, mva nr. 4 en akte [eiseressen] van 10 april 2018 over ontvankelijkheid appellante, nrs. 9-11.
21.HR 3 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1865, NJ 1996/215 m.nt. J.M.M. Maeijer.
22.HR 7 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2285, NJ 2017/124 m.nt. P. van Schilfgaarde, JIN 2016/225 m.nt. G.J. de Bock, JOR 2016/325 m.nt. B.M. Katan, Ondernemingsrecht 2017/7 m.nt. S.M. Bartman (
23.Cva nr. 1, pleitnota [eiseressen] EA, nr. 2, p-v pleidooi EA, p. 5, mva nr. 4 en akte [eiseressen] van 10 april 2018 over ontvankelijkheid appellante, nrs. 9-11.
24.Procesinleiding in cassatie, middel 1, onder C sub 9 met verwijzing naar de uittreksels uit het handelsregister (bijlagen 1 en 2 bij het cassatieberoep, eerder overgelegd als prod. 1 bij cva en prod. A16-1 akte uitlating na tussenarrest [verweerster] van 13 maart 2018).
25.Akte [eiseressen] van 10 april 2018 over ontvankelijkheid appellante, nr. 6 onder verwijzing naar cva nr. 1 en prod. 1 cva.
26.Gerefereerd wordt aan cva nr. 1, pleitnota [eiseressen] EA, nr. 2, p-v pleidooi EA, p. 5, mva nr. 4 en akte [eiseressen] van 10 april 2018 over ontvankelijkheid appellante, nrs. 9-11.
27.De verwijzing in middel 2 onder B eerste tekstblok naar rov. 2.1-2.3 van het tussenarrest berust kennelijk op een vergissing. Evident is dat de klacht rov. 2.1-2.3 van het eindarrest bestrijdt.
28.Verwezen wordt naar cva nr. 1, pleitnota [eiseressen] EA, nr. 2, p-v pleidooi EA, p. 5, mva nr. 4 en akte [eiseressen] van 10 april 2018 over ontvankelijkheid appellante, nrs. 8 en 11.
29.Procesinleiding in cassatie, middel 2, onder C sub 4 en onder D sub 8 met verwijzing naar de akte uitlating na tussenarrest [verweerster] van 13 maart 2018, nrs. 2.9 en 5.2.
30.Procesinleiding in cassatie, middel 2, onder C sub 7 met verwijzing naar HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:649, NJ 2019/438 m.nt. F.M.J. Verstijlen, JAR 2019/128 m.nt. E. Loesberg, JOR 2019/173 m.nt. N.E.D. Faber, JIN 2019/104 m.nt. E.S. Ebels, TvI 2019/29 m.nt. J.B. Huizink, Ondernemingsrecht 2019/151 m.nt. V.R. Feenstra, AA20190991 m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers (
31.Procesinleiding in cassatie, middel 2, onder C sub 10-12 met verwijzing naar HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4096, NJ 2013/338, JBPr 2013/52 m.nt. H.W. Wiersma, JIN 2013/135 m.nt. E.J. Bleeker, JOR 2013/226 m.nt. C.J. Groffen (
32.De afwikkeling van lopende processen behoort namelijk tot de zaken ter vereffening waarvan een ontbonden VOF blijft voortbestaan, zie: Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2017/325, P.P.D. Mathey-Bal, De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97), diss., 2016, hoofdstuk 7, nr. 2.5, A.J.S.M. Tervoort, Het Nederlandse personenvennootschapsrecht (R&P ONR8) 2015/10.1.4 en HR 17 maart 1961, ECLI:NL:HR:1961:AG2049, NJ 1961/310 m.nt. L.E.H. Rutten (
33.Internationaal verdrag tot bescherming van kweekprodukten van 2 december 1961, Trb. 1962/117.
34.Zie over de werking van deze unie: K.A. Kikkert en P.A.C.E. van der Kooij, 50 jaar Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekprodukten (1961-2011), TvAR 2012-9, p. 256-261.
35.Rijkswet van 6 oktober 1966 tot goedkeuring van het Internationale verdrag tot bescherming van kweekproducten, Stb. 1966/442.
36.Wet van 6 oktober 1966 houdende een nieuwe regeling van het kwekersrecht alsmede van het verkeer met teeltmateriaal van landbouw- en tuinbouwgewassen, Stb. 1966/455.
37.Herziening Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekprodukten van 19 maart 1991, Trb. 1992/52 (Nederlandse vertaling: Trb. 1993/153).
38.Wet van 26 juni 1996 tot goedkeuring van de op 19 maart 1991 te Genève tot stand gekomen herziening van het Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekprodukten (Trb. 1992, 52), alsmede wijziging van de Zaaizaad- en Plantgoedwet, Stb. 1996/398 (Uitvoeringswet UPOV 1991), in werking getreden op 24 april 1998, zie Besluit van 10 april 1998 houdende het tijdstip van inwerkingtreding van de uitvoeringswet UPOV 1991, Stb. 1998/234.
39.Huydecoper/Van der Kooij/Van Nispen/Cohen Jehoram, Industriële eigendom deel 1, 2016, nr. 6.5.1 en T.F.W. Overdijk, Het recht van de kweker op oogstmateriaal van zijn ras: wat heeft het ons gebracht?, BIE 2017, p. 23-28. Zie over de inhoud van die bescherming ook: P.A.C.E. van der Kooij in: Geerts en Verschuur (red.), Kort begrip van het intellectuele eigendomsrecht 2020, nr. 196.
40.Wet van 19 februari 2005, houdende een nieuwe regeling voor het toelaten van rassen, het in de handel brengen van teeltmateriaal en het verlenen van kwekersrecht, Stb. 2005/184, in werking getreden op 1 februari 2006, zie Besluit van 24 januari 2006 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Zaaizaad- en Plantgoedwet 2005, Stb. 2006/41.
41.Zie over deze ontwikkeling van het UPOV Verdrag en de ZPW nader: P.A.C.E. van der Kooij in: Geerts en Verschuur (red.), Kort begrip van het intellectuele eigendomsrecht 2020, nr. 176, Huydecoper/Van der Kooij/Van Nispen/Cohen Jehoram, Industriële eigendom deel 1, 2016, nrs. 1.1.6, 2.3.1-2.3.6, 6.1.3-6.1.4 en 6.5.1, M. Bootsman, Het UPOV-verdrag van 1991 en de implementatie in Nederland, TvAR 1999-3, p. 128-133 en P.A.C.E. van der Kooij, Enkele opmerkingen over het ontwerp-Uitvoeringswet UPOV 1991, TvAR 1995-7, p. 340-345.
42.Art. 2 ZPW Pro 1967 en 1996 bepaalde het volgende: “Deze wet verstaat onder (…) ‘teeltmateriaal’: planten en plantedelen, welke bestemd zijn voor de uitplant, uitzaai of op andere wijze voor de teelt van gewassen te dienen.”
43.Zie over de uitleg van het begrip “in de handel brengen” als bedoeld in art. 57 ZPW Pro: HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3304, NJ 2016/491 m.nt. Ch. Gielen, IER 2016/10 m.nt. H.J. Koenraad (
44.Zie over de GKVo nader: P.A.C.E. van der Kooij in: Geerts en Verschuur (red.), Kort begrip van het intellectuele eigendomsrecht 2020, nr. 209, Huydecoper/Van der Kooij/Van Nispen/Cohen Jehoram, Industriële eigendom deel 1, 2016, nrs. 6.1.5 en 6.5.2 en over de ontwikkeling van het Europees kwekersrecht: B. Kiewiet, Kwekersrecht in een Communautair perspectief, TvAR 2002-9, p. 490-496, P.A.C.E. van der Kooij, Communautair kwekersrecht: de eindstreep (bijna) bereikt, TvAR 1995-2, p. 54-65 en P.A.C.E. van der Kooij, Het voorstel voor een EG-Verordening inzake het kwekersrecht, TvAR 1991-2, p. 61-76.
45.Zie het één na laatste punt van de considerans, P.A.C.E. van der Kooij in: Geerts en Verschuur (red.), Kort begrip van het intellectuele eigendomsrecht 2020, nr. 209 en Huydecoper/Van der Kooij/Van Nispen/Cohen Jehoram, Industriële eigendom deel 1, 2016, nr. 6.3.1.
46.HvJ EU 19 december 2019, zaak C-176/18, ECLI:EU:C:2019:1131 (
47.Zie over de uitleg van het begrip “voortbrengen of vermenigvuldigen” als bedoeld in art. 13 GKVo Pro: HvJ EU 19 december 2019, zaak C-176/18, ECLI:EU:C:2019:1131 (
48.Volgens het HvJ EU voorziet de GKVo daarmee in een “primaire” bescherming ten aanzien van componenten en geldt vanwege de aanvullende voorwaarden in art. 13 lid 3 van Pro de GKVo een “secundaire” bescherming voor oogstmateriaal: HvJ EU 19 december 2019, zaak C-176/18, ECLI:EU:C:2019:1131 (
49.Richtlijn van de Raad van de Europese Unie van 20 juli 1998 betreffende het in de handel brengen van teeltmateriaal van siergewassen, Pb EG L 226/16.
50.De definitie is in geval van productie van complete planten alleen toepasselijk voor zover de siergewassen bestemd zijn om verder in de handel te worden gebracht (art. 2 lid Pro 1, slotzin).
51.Besluit van 8 december 2005 houdende regels met betrekking tot het in de handel brengen van teeltmateriaal, Stb. 2005/654.
52.Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 16 jan. 2006, nr. TRCJZ/2006/98, houdende regels met betrekking tot het in de handel brengen van teeltmateriaal, Stcrt. 2006/15, p. 16.
53.P.A.C.E. van der Kooij in: Geerts en Verschuur (red.), Kort begrip van het intellectuele eigendomsrecht 2020, nr. 181.
54.ECLI:NL:HR:2001:AB0959, NJ 2001/423.
55.De procesinleiding in cassatie, middel 3, onder D doet een beroep op mva /mvg inc 10, 16, 33-34, 41 en 45-59 en pleitnota [eiseressen] HB (1) p. 3 e.v.
56.Zie ook procesinleiding in cassatie, middel 3, onder C sub 3 met verwijzing naar de aangehechte bijlage 3. Dit betreft een foto die deel uitmaakt van de stukken ten aanzien van het op 19 mei 2010 gelegde beslag. Deze stukken zijn als prod. 10 de akte houdende overlegging producties van [verweerster] van 12 januari 2011 in het geding gebracht.
57.Procesinleiding in cassatie, middel 3, onder C sub 19.
58.Procesinleiding in cassatie, middel 3, onder C sub 8 onder verwijzing naar prod. 2 inleidende dagvaarding.
59.Procesinleiding in cassatie, middel 3, onder C sub 1 met verwijzing naar bijlage 4. Dit betreft een factuur namens [verweerster] aan [betrokkene 1] die eerder is overgelegd als prod. 7 akte houdende overlegging producties [verweerster] van 12 januari 2011.
60.Procesinleiding in cassatie, middel 3, onder C sub 13.
61.Kamerstukken II, 1958-1959, 5332, nr. 3, blz. 18 (MvT ZPW 1967).
62.Kamerstukken II, 1958-1959, 5332, nr. 3, blz. 18 (MvT ZPW 1967).
63.Huydecoper/Van der Kooij/Van Nispen/Cohen Jehoram, Industriële eigendom deel 1, 2016, nr. 6.5.3.
64.Uitzonderingen gelden voor handelingen die een verdere vermeerdering van het ras inhouden en voor handelingen die uitvoer, anders dan voor verbruiksdoelen, inhouden naar een land waar geen vergelijkbare bescherming van het kwekersrecht is (art. 60 onder Pro a en b ZPW).
65.P.A.C.E. van der Kooij in: Geerts en Verschuur (red.), Kort begrip van het intellectuele eigendomsrecht 2020, nr. 198 en Huydecoper/Van der Kooij/Van Nispen/Cohen Jehoram, Industriële eigendom deel 1, 2016, nr. 6.5.4.
66.Huydecoper/Van der Kooij/Van Nispen/Cohen Jehoram, Industriële eigendom deel 1, 2016, nr. 6.5.3.
67.Het UPOV bevat geen eigen definitie van “propagating material”.
68.Vgl. nadere beschouwingen hierover in mijn conclusies voor HR 30 november 2018, ECLI:NL:PHR:2018:1218, RvdW 2018/1315 (
69.HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2153, NJ 2008/556 m.nt. E.J. Dommering, IER 2008/58 m.nt. J.M.B. Seignette, AA20080819 m.nt. P.B. Hugenholtz (
70.HR 18 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:721, NJ 2018/428 m.nt. D.W.F. Verkade, IER 2018/57 m.nt. F.W.E. Eijsvogels (
71.HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3477, NJ 2016/16 m. red. aant. (
72.HvJ EU 10 april 2014, zaak C-435/12, ECLI:EU:C:2014:254, NJ 2016/185 m.nt. P.B. Hugenholtz (
73.Verklaring 2005/295/EG van de Commissie betreffende art. 2 van Pro Richtlijn 2004/48/EG betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten, Pb EU L 94/37. Zie ook: C.J.S. Vrendenbarg, Proceskostenveroordeling en toegang tot de rechter in IE-zaken; regelingen over proceskosten getoetst aan het EU recht, diss., 2018, nr. 23. Vgl. ook: HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3304, NJ 2016/491 m.nt. Ch. Gielen, IER 2016/10 m.nt. H.J. Koenraad (
74.HvJ EU 28 juli 2016, zaak C-57/15, ECLI:EU:C:2016:611, BIE 2016/35 m.nt. C.J.J.C. van Nispen, IER 2016/54 m.nt. C. Vrendenbarg, AA20170429 m.nt. D.J.G. Visser.
75.HR 24 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:112, NJ 2020/59 (
76.HR 24 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:112, NJ 2020/59 (
77.Voor de vindplaatsen met betrekking tot “onevenredig en onredelijk” wordt in het bijzonder verwezen naar pleitnota [eiseressen] HB (1), p. 14-16 en pleitnota [eiseressen] HB (2), p. 3-5.
78.Die passage is ook geciteerd in de procesinleiding in cassatie, middel 4, onder D, sub 3 (laatste tekstblok, tweede en derde regel van onderen).
79.C.J.S. Vrendenbarg, Proceskostenveroordeling en toegang tot de rechter in IE-zaken, diss., 2018, nr. 100 en HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3477, NJ 2016/16 m. red. aant. (
80.GS Burgerlijke Rechtsvordering (P. de Bruin), art. 237 Rv Pro, aant. 1, C.J.S. Vrendenbarg, Proceskostenveroordeling en toegang tot de rechter in IE-zaken, diss., 2018, nr. 62, Asser/Van Schaick 2 2016/125, P. Sluijter, Sturen met proceskosten. Wie betaalt de rekening van verstorend procesgedrag?, diss., 2011, nr. 4.3.3 en conclusie A-G Huydecoper voor HR 30 september 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AS8376 (
81.HR 18 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY0572, NJ 2013/60, JBPr 2013/27 m.nt. G. van Rijssen en Asser/Van Schaick 2 2016/139.
82.Procesinleiding in cassatie, middel 4, onder C sub 6 met verwijzing naar bijlage 4. Dit betreft een factuur namens [verweerster] aan [betrokkene 1] die eerder is overgelegd als prod. 7 akte houdende overlegging producties [verweerster] van 12 januari 2011.
83.Prod. A25 akte houdende overlegging aanvullende producties [verweerster] van 1 juli 2019, blz. 15, tabel, vierde rij van onderen. Dit is de slotopstelling van de advocaatkosten van [verweerster] in appel die ook als bijlage 7 bij de procesinleiding in cassatie is gevoegd.
84.Verwezen wordt naar bijlage 5 bij de procesinleiding in cassatie. Deze opgave is eerder als productie 27 bij akte overlegging producties [verweerster] van 13 januari 2015 overgelegd.
85.Procesinleiding in cassatie, middel 4, onder C sub 5. Bij wijze van voorbeeld wijst [eiseressen] op de eerste post in de opstelling van de proceskosten in eerste aanleg ad € 1.656,48 en de onderliggende factuur van [A] van 11 mei 2010.
86.Procesinleiding in cassatie, middel 4, onder C sub 5.
87.In de procesinleiding in de cassatie wordt in het bijzonder een beroep gedaan op pleitnota [eiseressen] HB (1), p. 14-16 en pleitnota [eiseressen] HB (2), p. 3-5.
88.De wetsgeschiedenis bij art. 1019h Rv noemt de omvang van de inbreuk en de toerekenbaarheid als mogelijk relevante omstandigheden, zie: Kamerstukken II, 2005-2006, 30 392, nr. 3, p. 26 (MvT Aanpassingen ter uitvoering van Richtlijn 2004/48/EG betreffende de handhaving van intellectuele eigendomsrechten). Zie verder: GS Burgerlijke Rechtsvordering (T.F.E. Tjong Tjin Tai), art. 1019h Rv, aant. 5 en C.J.S. Vrendenbarg, Proceskostenveroordeling en toegang tot de rechter in IE-zaken, diss., 2018, nr. 106.
89.HR 27 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:531, NJ 2020/138, JOR 2020/192 m.nt. J.H.M. Spanjaard, TBR 2020/137 m.nt. S.J.H. Rutten, HR 20 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:483, NJ 2020/125, JOR 2020/185 m.nt. C.R. Christiaans, JPF 2020/82 m.nt. B.E. Reinhartz, HR 6 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1845, NJ 2020/17, JBPr 2020/7 m.nt. G.C.C. Lewin, JOR 2020/61 m.nt. F.M.A. ‘t Hart, Ondernemingsrecht 2020/97 m.nt. I.P.M.J. Janssen (