ECLI:NL:HR:2013:BZ1780
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Richtlijnconforme uitleg van overgang van onderneming bij concernstructuur en personeelsvennootschap
De zaak betreft de uitleg van artikel 7:663 BW Pro, dat de overgang van rechten en verplichtingen uit arbeidsovereenkomsten bij overgang van onderneming regelt, in het licht van richtlijn 2001/23/EG. De werknemer was in dienst van een personeelsvennootschap binnen het Heinekenconcern, maar feitelijk werkzaam bij een andere vennootschap binnen hetzelfde concern waarvan de onderneming werd overgedragen aan Albron.
De Hoge Raad verwijst naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) dat bevestigt dat ook een niet-contractuele werkgever binnen een concern als vervreemder kan worden beschouwd bij een overgang van onderneming. Dit betekent dat de bescherming van werknemers ook geldt als zij niet rechtstreeks in dienst zijn van de overgedragen onderneming, maar via een personeelsvennootschap binnen hetzelfde concern.
De Hoge Raad oordeelt dat art. 7:663 BW Pro richtlijnconform moet worden uitgelegd, ook als dit betekent dat de tekst van de wet niet letterlijk gevolgd wordt. Het beroep van Albron op het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van terugwerkende kracht faalt, omdat de wetgever met art. 7:663 BW Pro beoogde de richtlijn volledig om te zetten. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de rechten en verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst van de personeelsvennootschap op de verkrijger overgaan.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de richtlijnconforme uitleg van art. 7:663 BW wordt bevestigd.