ECLI:NL:HR:2013:BZ8902

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 mei 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
12/00755
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 271, tweede lid, SvArt. 359, tweede lid, SvArt. 415 SvArt. 515, vijfde lid, Sv
Verwijzingen
9 uitgaand · 12 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep wegens onvoldoende onderbouwing en schending procesvoorschriften

In deze strafzaak heeft de Hoge Raad op 14 mei 2013 het cassatieberoep verworpen dat was ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 10 juni 2011. Het cassatieberoep was gericht tegen het oordeel van het hof en bevatte meerdere middelen.

Het eerste middel klaagde over schending van artikel 271, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, omdat het hof tijdens de terechtzitting in hoger beroep blijk zou hebben gegeven van een overtuiging omtrent de onschuld van de verdachte. De Hoge Raad oordeelde dat deze klacht faalt op de gronden uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal.

Het tweede middel betrof een klacht over het niet gemotiveerd beslissen door het hof op uitdrukkelijk onderbouwde standpunten van het Openbaar Ministerie. De Hoge Raad verwierp dit middel omdat de klacht onvoldoende precies was geformuleerd en niet voldeed aan de vereisten voor cassatie. Het wrakingsverzoek van de Advocaat-Generaal werd eveneens terecht afgewezen.

De Hoge Raad bevestigt hiermee het belang van nauwkeurige en voldoende onderbouwde klachten in cassatie en het respecteren van procesvoorschriften tijdens de terechtzitting in hoger beroep.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het gerechtshof.

Uitspraak

14 mei 2013
Strafkamer
nr. S 12/00755
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 10 juni 2011, nummer 22/004046-09, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1949.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Namens de verdachte heeft mr. C.W. Noorduyn, advocaat te 's-Gravenhage, het beroep tegengesproken.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1. Het middel strekt ten betoge dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep aan nietigheid lijdt doordat het Hof aldaar - in strijd met het ook in hoger beroep toepasselijke voorschrift van art. 271, tweede lid, Sv - blijk heeft gegeven van zijn overtuiging omtrent de onschuld van de verdachte.
2.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in hetgeen in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.2 is weergegeven.
2.3. Gelet op art. 515, vijfde lid, Sv klaagt het middel terecht niet over de afwijzing van het door de Advocaat-Generaal bij het Hof gedane wrakingsverzoek.
2.4. Het aan het middel ten grondslag liggende uitgangspunt dat ook het openbaar ministerie als procespartij aanspraak erop kan maken dat de rechter ter terechtzitting niet blijk geeft van enige overtuiging omtrent schuld of onschuld van de verdachte, is op zichzelf juist. De klacht over schending door het Hof van art. 271, tweede lid, Sv in de onderhavige zaak faalt echter op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.9.2.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat art. 359, tweede lid, in verbinding met art. 415 Sv Pro is geschonden doordat het Hof niet gemotiveerd heeft beslist op ter terechtzitting in hoger beroep door het Openbaar Ministerie naar voren gebrachte, uitdrukkelijk onderbouwde standpunten.
3.2. Nu in het middel - in strijd met HR 11 april 2006, LJN AU9130, NJ 2006/393, rov. 3.7.2 laatste volzin - niet met voldoende precisie is aangeduid op welk(e) met argumenten onderbouwd(e) standpunt(en) de klacht het oog heeft, kan het middel niet tot cassatie leiden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en V. van den Brink, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 14 mei 2013.