ECLI:NL:HR:2013:CA0731

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juli 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
12/05478
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 224 lid 1 RvArt. 414 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing incidentele vordering tot zekerheidstelling proceskosten in cassatie

In deze zaak vordert eiser, handelend onder de naam A B.V., dat verweerder, handelend onder de naam B, zekerheid stelt voor de proceskosten in cassatie. Verweerder is uitgeschreven uit de gemeentelijke basisadministratie met de vermelding 'vertrokken onbekend waarheen', maar heeft een geheim adres in Nederland opgegeven. Eiser betwist dat verweerder daadwerkelijk op dat adres woont, onder meer omdat het een bedrijfsruimte betreft en deurwaarders verweerder niet hebben aangetroffen.

De rechtbank en het hof hebben de vordering van verweerder afgewezen en verweerder veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiser. Verweerder stelde beroep in cassatie in, waarop eiser een incidentele vordering tot zekerheidstelling indiende. De Hoge Raad beoordeelt dat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd dat verweerder geen woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland heeft. De gemotiveerde betwisting van verweerder maakt dat eiser zijn stellingen niet aannemelijk heeft gemaakt.

Daarom wijst de Hoge Raad de incidentele vordering af en veroordeelt eiser in de kosten van het incident. De zaak wordt verwezen naar de rol voor schriftelijke toelichting. Het arrest is gewezen door de raadsheren Streefkerk, de Groot, Polak en uitgesproken door Loth.

Uitkomst: De Hoge Raad wijst de incidentele vordering tot zekerheidstelling af en veroordeelt eiser in de kosten van het incident.

Uitspraak

12 juli 2013
Eerste Kamer
nr. 12/05478
LZ/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser], handelend onder de naam [A] B.V.,
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie, verweerder in het incident tot zekerheidsstelling,
advocaat: mr. R.Th.R.F. Carli,
t e g e n
[verweerder], handelend onder de naam [B],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie, eiser in het incident tot zekerheidsstelling,
advocaat: mr. A.H.M. van den Steenhoven.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerder].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
de vonnissen in de zaak 223760/HA ZA 10-1609 van de rechtbank Breda van 2 februari 2011 en 3 november 2010;
de arresten in de zaak HD 200.086.468 van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 10 juli 2012 en 14 juni 0211.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof van 10 juli 2012 heeft [verweerder] beroep in cassatie ingesteld. [eiser] heeft een incidentele conclusie tot zekerheidstelling genomen. De cassatiedagvaarding en de conclusie tot zekerheidstelling zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
[verweerder] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot afwijzing van de vordering in het incident met veroordeling van [eiser] in de kosten van het incident.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 30 mei 2013 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van de incidentele vordering

3.1
[verweerder] heeft in deze procedure kort gezegd gevorderd dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 59.250,--. De rechtbank heeft de vordering afgewezen en [verweerder] veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [eiser]. [verweerder] is in hoger beroep gegaan. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en [verweerder] veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [eiser]. [verweerder] heeft beroep in cassatie ingesteld.
3.2
De incidentele vordering van [eiser] strekt ertoe dat [verweerder] wordt veroordeeld tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten in cassatie tot een bedrag van € 3.347,--.
3.3
Indien [verweerder] geen woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland heeft, kan hij op vordering van [eiser] op de voet van art. 224 lid 1 Rv Pro in verbinding met art. 414 lid 1 Rv Pro worden verplicht zekerheid te stellen voor de proceskosten waartoe hij in cassatie veroordeeld zou kunnen worden.
3.4
[eiser] heeft aan de vordering ten grondslag gelegd dat [verweerder] is uitgeschreven uit de gemeentelijke basisadministratie met de vermelding "vertrokken onbekend waarheen". [verweerder] heeft de vordering betwist, een woonadres in Nederland opgegeven en een uittreksel overgelegd uit de gemeentelijke basisadministratie waarin is vermeld dat hij een geheim adres heeft. [eiser] heeft bestreden dat [verweerder] woont op het door hem opgegeven adres, waartoe hij onder meer heeft aangevoerd dat het gaat om een (beperkte) bedrijfsruimte en dat de deurwaarder [verweerder] bij herhaling niet op dat adres heeft aangetroffen. Ook dit heeft [verweerder] weersproken.
3.5
In het licht van de gemotiveerde betwisting door [verweerder] van hetgeen [eiser] aan de vordering tot zekerheidstelling ten grondslag heeft gelegd, heeft [eiser] niet aannemelijk gemaakt dat [verweerder] geen woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland heeft. [eiser] heeft geen bewijs van zijn stellingen aangeboden. De incidentele vordering is dan ook niet toewijsbaar.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
wijst de incidentele vordering af;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het incident tot zekerheidstelling, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 800,-- voor salaris;
verwijst de zaak naar de rol van 11 oktober 2013 voor schriftelijke toelichting.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.A. Streefkerk, als voorzitter, G. de Groot en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op
12 juli 2013.