Conclusie
2.Bespreking van de incidentele vordering tot zekerheidstelling
zou kunnen worden, dient deze post m.i. in de begroting te worden opgenomen.
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak vordert [verweerster] dat IPMI, een in Iran gevestigde partij zonder woonplaats in Nederland, zekerheid stelt voor de proceskosten van het cassatieberoep, het incident en een mogelijk incidenteel cassatieberoep. De vordering is gebaseerd op artikel 414 Rv Pro in verbinding met artikel 224 Rv Pro, die zekerheidstelling voorschrijven voor partijen zonder woonplaats in Nederland om verhaal van proceskostenveroordelingen te waarborgen.
De rechtbank en het hof hebben eerder in de procedure al zekerheidstelling opgelegd, maar IPMI stelde niet tijdig een geldige depotovereenkomst op, waardoor zij niet-ontvankelijk werd verklaard in hoger beroep. In cassatie stelt [verweerster] opnieuw zekerheidstelling voor de proceskosten, inclusief een bedrag voor onbetaalde proceskosten uit eerste aanleg.
De Hoge Raad overweegt dat de verplichting tot zekerheidstelling geldt voor proceskosten die in de lopende instantie kunnen worden toegewezen, maar niet voor onbetaalde proceskosten uit eerdere instanties waarvoor reeds een veroordeling bestaat. De vordering tot zekerheidstelling voor die onbetaalde proceskosten wordt daarom afgewezen. Voor de overige proceskosten in cassatie wordt de vordering toegewezen, waarbij IPMI de vorm van zekerheid mag bepalen.
De uitspraak verduidelijkt de reikwijdte van artikel 224 Rv Pro en bevestigt dat zekerheidstelling niet kan worden gevorderd voor reeds vastgestelde en onbetaalde proceskosten uit eerdere procedures, maar wel voor de kosten van de huidige cassatieprocedure.
Uitkomst: De vordering tot zekerheidstelling voor onbetaalde proceskosten uit eerste aanleg wordt afgewezen, overige zekerheidstelling wordt toegewezen.