ECLI:NL:HR:2013:CA1614
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Voorlopige beslissing over pandrecht op assurantieportefeuille en prejudiciële vraag
In deze zaak heeft de rechtbank Rotterdam een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad gesteld over de mogelijkheid om een pandrecht te vestigen op een assurantieportefeuille, oftewel of een assurantieportefeuille een vermogensrecht is in de zin van artikel 3:6 BW Pro. Dit speelt tegen de achtergrond van een koopovereenkomst waarbij aandelen in Duymel zijn gekocht en de koopprijs is gefinancierd met een lening die door middel van pandrecht op de assurantieportefeuilles is gedekt.
Eiseres vordert een verklaring voor recht dat het vestigen van een pandrecht op assurantieportefeuilles rechtsgeldig is. De curator betwist dit en voert onder meer aan dat de verpanding nietig is op grond van artikel 2:207c BW en dat toestemming van de verzekeraar vereist is geweest maar niet is verleend.
De Hoge Raad overweegt dat indien een van deze verweren slaagt, de prejudiciële vraag niet meer relevant is voor de beslissing in de zaak. Omdat de rechtbank deze verweren nog niet heeft beoordeeld, ziet de Hoge Raad voorlopig af van beantwoording van de prejudiciële vraag. De rechtbank kan de verweren eerst beoordelen en zo nodig de vraag opnieuw aan de Hoge Raad voorleggen.
Daarnaast wijst de Hoge Raad op het overgangsrecht rond artikel 2:207c BW, dat per 1 oktober 2012 is vervallen, en stelt dat moet worden onderzocht of de nietigheid van de verpanding vóór die datum is ingeroepen.
Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en op 31 mei 2013 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De Hoge Raad ziet voorlopig af van beantwoording van de prejudiciële vraag en verwijst de zaak terug naar de rechtbank.