Conclusie
1.Inleiding
AIB/Novisem(HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3304). Daarin is uitgemaakt dat de maatstaf voor een exhibitievordering van IE-bewijsbeslag op de voet van art. 1019a Rv in verbinding met art. 843a Rv is dat (dreigende) inbreuk voldoende aannemelijk dient te worden gemaakt.
AIB/Novisemhierdoor dat de verzochte inzage hier niet ziet op wat in de procedure heet “technisch inbreukbewijs” – dat wil zeggen ter ondersteuning van de vraag of een product of werkwijze onder de beschermingsomvang van het ingeroepen octrooi valt (de aangevallen producten zijn gewoon op de markt en konden uitvoerig worden geanalyseerd door Astellas, die dat ook heeft laten doen). Inzage wordt verlangd om te kunnen staven
wiede gestelde voorbehouden handelingen verricht(en) en
waar en hoedat gebeurt. Preciezer gezegd: of en hoe Synthon bij eventueel te oordelen inbreuk in Nederland of daarbuiten betrokken is, althans of en hoe zij daarin een onrechtmatig te achten rol speelt. Volgens mij is er aanleiding bij inzage te differentiëren naar gelang het onderwerp van de (beslagen) informatie en met welk doel inzage wordt verlangd. Ik meen dat voor de in deze zaak bedoelde tweede categorie (niet technisch inbreukbewijs) een hogere inzagedrempel moet gelden dan voor de eerste. Dat doet geen afbreuk aan
AIB/Novisem, maar sluit juist aan bij dit oordeel, waarin Uw Raad te kennen heeft gegeven dat niet in algemene zin kan worden gezegd wat als een voldoende mate van aannemelijkheid van (dreigende) inbreuk kan worden gezien, omdat dat afhangt van waardering van stellingen en weren van partijen en de overtuigingskracht van eventueel al overgelegd bewijsmateriaal. Het lijkt erop dat Astellas in deze zaak in wezen koerst op overneming van het Franse stelsel van de
saisie contrefaçon,maar dat verdient volgens mij geen navolging.
2.De prejudiciële vragen
4.Bespreking van de prejudiciële vragen
AIB/Novisemen het hier geïntroduceerd krijgen van een liberaal bewijsbeslagstelsel vergelijkbaar met de Franse
saisie-contrefaçon.
AIB/Novisem [11] , zo volgt uit rov. 4.1.5 (ik citeer iets ruimer):
AIB/Novisemal zou zijn gewezen ten tijde van het wijzen van het verwijzingsarrest.
AIB/Novisemte streng is en de drempel zou moeten zijn: onderbouwd stellen. Het betoog wordt onderbouwd met een beroep op art. 6 Handhavingsrichtlijn Pro en verwijzing naar onder meer het Franse
saisie contrefaçon(komt hierna nog ter sprake in de rechtsvergelijkende paragraaf van deze conclusie). Astellas’ betoog lijkt een uitnodiging terug te komen op de lijn uit
AIB/Novisem [13] ,als ik het goed zie, omdat dat stelsel in strijd zou zijn met art. 6 Handhavingsrichtlijn Pro [14] (gelet op de considerans van die richtlijn onder 20), maar ik acht dat – ofschoon eloquent verwoord – weinig realistisch (al helemaal niet in het kader van beantwoording van deze prejudiciële vragen) en laat dat verder rusten. Astellas gaat zelfs nog verder met haar aansluitende betoog dat de drempel voor bewijsbeslagverlof en exhibitie dezelfde (lage) drempel zou moeten zijn [15] . Nog daargelaten dat dat ook al anders is beslist in
AIB/Novisem, gaat dat naar mijn mening veel te ver, omdat daarmee geen evenredig stelsel in het leven wordt geroepen dat voldoende recht doet aan bijvoorbeeld de rechtmatige bescherming van bedrijfsgeheimen. De duidelijk verschillende bewoordingen uit artt. 6 en 7 HhRi wijzen ook niet in die richting [16] .
AIB/Novisem [20] onder 2.7 tot en met 2.15 gegeven overzicht van het rechtmatig belang vereiste uit art. 843a en 1019a Rv in IE-zaken, dat er heel kort samengevat op neerkomt dat er sprake moet zijn van een reële inbreukvordering. Veel daaruit is ook relevant voor onze zaak, zij het dat de rechtsontwikkeling inmiddels verder is met Uw uitspraak in
AIB/Novisem.
AIB/Novisemin 2.16, moet uit het uitschakelen van art. 843a lid 4 Rv door art. 1019a lid 3 Rv niet worden afgeleid dat gewichtige redenen bij toepassing van art. 1019a Rv niet kunnen leiden tot afwijzing van de exhibitievordering [21] .
recall, bevel tot vernietiging van inbreukmakend materiaal etc. dringt zich daarbij op. Aanspraak op toewijzing van dergelijke “Schaper-petita [24] ” bestaat ook alleen maar als eerst (voorshands) inbreuk op een (voorshands) geldig geacht recht aannemelijk is. In
Abbott/Medtronic [25] zat dezelfde gedachte voor in een bewijsbeslagkwestie: geen voldoende belang bij inzage, voorafgaand aan de hoofdzaak, in niet technisch inbreukbewijs, want indien geen inbreuk kan worden vastgesteld, bestaat geen aanspraak op kennisneming van de beslagen administratie voor “omvangbewijs”.
inzage(in niet-technisch inbreukbewijs), niet om het bevriezen van bewijs; de (verlof)drempel om bewijsbeslag te mogen leggen is aanzienlijk lager (en het betoog van Astellas dat de inzagedrempel in wezen dezelfde zou moeten zijn als de verlofdrempel, is na
AIB/Novisemhoe dan ook achterhaald). Toegespitst op onze zaak zelf: het bewijs kan dus niet worden verdonkeremaand. Eenmaal verschaft inzicht in uit zijn aard concurrentiegevoelige bedrijfsinformatie is niet meer ongedaan te maken, als achteraf blijkt dat geen sprake was van een geldig aanvallend recht of van het onder de beschermingsomvang van dat recht vallen, zodat je met die wijsheid achteraf geen inzage had behoren te hebben. Ik meen dat die schade bepaald meer “onherstelbaar” is, dan wanneer je eventueel voor niets over geldigheid en inbreuk procedeert – de “zorg” van Astellas, naar zij stelt in deze procedure. Als je, zoals Astellas kennelijk heeft gedaan, bent afgegaan op bijsluiters en op erkenningen van een partij als Synthon van “betrokkenheid” [26] bij verhandeling van tamsulosine, terwijl nadien onverhoopt zou blijken dat je toch de verkeerde te pakken hebt, dan is dat (eventueel te redresseren) financiële risico te prefereren boven voornoemde onherstelbare schade door onterechte inzage, indien achteraf niet blijkt van een geldig aanvallend recht of inbreuk. Inzage is materieel niet meer terug te draaien [27] . Het belang gevrijwaard te worden van exhibitieclaims in gevallen dat geen voldoende harde inbreukzaak voorligt die langs andere weg dan die van exhibitie wel kan worden opgetuigd, lijkt mij bepaald zwaarder moeten wegen.
saisie contrefaçongaat zoals bekend (en hierna uit de doeken wordt gedaan) het verst, maar in Engeland en Duitsland is uiteindelijk de vraag of gegeven de specifieke omstandigheden van het geval sprake is van een evenredige maatregel als inzage wordt toegestaan.
disclosuredat wij niet kennen, waar van procesdeelnemers veel meer productie op eigen initiatief van voor de zaak relevant materiaal wordt verlangd, ook als dat niet ten gunste van de eigen positie is. Dat maakt de daar bestaande praktijk van
freezing orders(
Mareva injunctions) en voor onze zaak relevantere
search orders(
Anton Pillar orders), die nu tezamen worden aangeduid als
commercial injunctions [32] ,lastig vergelijkbaar met ons recht. Een ex parte
search orderwordt daar overigens als ingrijpend [33] gezien en hoewel de verlofdrempel (
good arguable case) lager is dan die voor
summary judgment [34] , moet de verzoeker van een
search order“an extremely strong prima facie case of infringement [35] ” presenteren. Toch zal dat net als bij ons ex parte niet de grootste hobbel zijn in de praktijk. Toezicht op de
search orderwordt gehouden door een onafhankelijke
supervising sollicitor.
disclosureverplichting niet eenvoudig is, zijn er volgens mij wel aanwijzingen te vinden dat naar Engels recht voorzichtigheid zal voorzitten als een rechter een vraag als de onze wordt voorgehouden met als gegeven dat voorshands geen inbreuk kan worden vastgesteld. Ik zie daar de volgende aanwijzingen voor.
Norwich Pharmacal principle [36] dat met name in IE-zaken de vraag of een beslagene documenten moet vrijgeven met namen en adressen van klanten (bij uitstek bedrijfsgevoelige informatie) een kwestie van discretie voor de rechter is. Daarbij wordt de mate van schadelijkheid van de verzochte informatie voor de beweerd inbreukmaker afgewogen tegen de vraag of de gevraagde informatie wezenlijk is voor het kunnen bewijzen van zijn inbreukclaim (en niet alleen de omvang van zijn schade). De rechter zal hier volgens Gee terughoudend zijn juist vanwege de mogelijk zeer schadelijke gevolgen. Dus: dergelijke rechterlijke bevelen worden wel gegeven, maar met terughoudendheid vanwege het potentiële schaderisico.
Anton Pillar search orderniet langer van kracht is en de vraag opkomt wat er met de beslagen documenten moet gebeuren. Gee schrijft daarover in zijn handboek [37] dat het vanwege de
disclosureplicht soms praktisch kan zijn om beslagen documenten niet terug te geven, maar bijvoorbeeld tot nader order te laten houden door de
supervising sollicitorof aan de raadslieden van de beslagene om te bezien wat er uiteindelijk toch
disclosedmoet worden, met als variant terugzenden naar de advocaten van de beslagene die niets mogen vernietigen dan na voorafgaande toestemming van de rechter.
Lock International Plc v. Bewick [38] in het recente handboek van Gee als volgt geciteerd in 17-016:
proportionalitybetween the perceived threat to the plaintiff’s rights and the remedy granted. The fact that there is overwhelming evidence that the defendant has behaved wrongfully in his commercial relationships does not necessarily justify an Anton Pillar order. People whose commercial morality allows them to take a list of customers with whom they were in contact while employed will not necessarily disobey an order of the court requiring them to deliver it up. Not everyone who is misusing confidential information will distroy documents in the face of a court order requiring him to preserve them.
pending further order. The more intrusive orders allowing searches of premises or vehicles require a careful balancing of, on the one hand, the purpose of the order, and, on the other hand, violation of the privacy of a defendant who has had no opportunity to put his side of the case. It is not merely that the defendant may be innocent. The making of an intrusive order ex parte even against a guilty defendant is contrary to normal principles of justice and can only be done when there is a paramount need to prevent a denial of justice to the claimant. An order will not be made against persons of good standing who are unlikely to disobey an order of the court. The absolute extremity of the court’s powers is to permit a search of a defendant’s dwelling house, with the humiliation and family distress which that frequently involves.” (cursivering A-G).
Düsseldorfer Verfahren, dat al dateert van voor de implementatie van de Handhavingsrichtlijn in Duitsland, wordt net als in Nederland het (meestal ex parte) veilig stellen van inbreukbewijs ontkoppeld van een daarop volgende inzageprocedure op tegenspraak. Deze procedure is een combinatie van een
selbständiges Beweisverfahren(§§ 485 e.v. ZPO) met een
einstweilige Verfügunggericht op het dulden van bezichtiging door een onafhankelijke en aan geheimhouding gebonden door de rechter aangewezen
Sachverständige, begeleid door ook tegenover hun cliënten aan geheimhouding gebonden advocaten. Het rapport van de deskundige gaat eerst alleen naar de rechter, die vervolgens op tegenspraak moet beslissen of en in welke mate inzage wordt verleend [39] . Dat laat zich enigszins vergelijken met ons ex parte bewijsbeslag gevolgd door een art. 843a Rv procedure, zij het dat advocatuurlijke geheimhouding jegens eigen cliënten bij mijn weten hier anders dan in Duitsland [40] niet kan worden afgedwongen en in Nederland niet wordt gewerkt met een gerechtelijke deskundige, maar (net als in Frankrijk) met een deurwaarder met eventuele deskundige bijstand.
Vorlage- und Besichtigungsanspruchin geval van
hinreichender Wahrscheinlichkeitvan inbreuk [41] .
inzagein beslagen
Urkunde/Geschäftspapieredie bedrijfsvertrouwelijke informatie kunnen bevatten is men daarentegen bepaald voorzichtiger. Zolang het recht op geheimhouding van vertrouwelijke bedrijfsinformatie niet moet wijken wegens
feststehende Patentverletzungkomt in de regel alleen sequestratie in aanmerking [42] . Dit is interessant, omdat hieruit valt af te leiden dat in Duitsland voorzichtigheid lijkt voor te zitten met inzage toestaan in beslagen documenten met bedrijfsvertrouwelijke informatie, zolang geen inbreuk is
vastgesteld. Dat wordt dan sneller disproportioneel of niet evenredig geacht kennelijk. Aan de substantiëring van die bedrijfsvertrouwelijkheid worden wel eisen gesteld naar Duits recht, maar dit ondersteunt de notie tot voorzichtigheid met inzage, indien voorshands geen inbreuk kan worden vastgesteld naar kort geding maatstaf door de voorzieningenrechter. Mes en Busse [43] geven verder aan dat bij de belangenafweging een belangrijk punt is of de eiser echt
afhankelijk is van inzage om inbreuk te bewijzen, doordat bijvoorbeeld het gesteld inbreukmakende product niet vrij op de markt verkrijgbaar is (en dat is in onze zaak juist wel het geval, zodat de weegschaal, zo versta ik deze passage, naar Duits recht in een geval als het onze eerder door kan slaan richting afwijzing van inzage).
saisie contrefacon, met een zeer ruime beslagmogelijkheid ex parte op onder meer documenten door een deurwaarder met bijstand van een deskundige [44] . Als een beslagene aangeeft dat bepaalde documenten bedrijfsvertrouwelijk zijn, doet de deurwaarder deze in een verzegelde envelop en beoordeelt een door de rechter benoemde deskundige of die documenten relevant zijn voor de inbreukvraag. De rechter kan de vertrouwelijkheid van bepaalde documenten gelasten, maar zonder zo’n bevel worden de documenten ter hand gesteld aan de beslaglegger. Ik begrijp indien relevant voor de inbreuk: ook als deze bedrijfsvertrouwelijk zijn [45] . Er is dus wel de mogelijkheid van rechterlijke controle, maar: “(i)n the absence of specific contrary provisions in the order, the bailiff can hand the seized documents over to the claimant.” In wezen wil Astellas naar zo’n vergaand stelsel toe. Het is de vraag of de proportionele benadering uit Engeland en Duitsland niet de voorkeur verdient. Ik denk het wel.
AIB/Novisemin strijd zou zijn met art. 6 lid 1 HhRi Pro. Ik deel die visie niet en op grond van de verschillende bewoordingen van artt. 6 en 7 leden 1 HhRi (vgl. hiervoor voetnoot 16) kan eerder de vraag zijn of het Franse stelsel wel Handhavingsrichtlijnconform is.
AIB/Novisem, ook een kort geding, zijn evenmin prejudiciële vragen aan Luxemburg gesteld. In kort geding bestaat zoals bekend naar vaste rechtspraak geen verplichting voor de hoogste nationale rechter om Unierechtelijke uitlegvragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie [47] . De vijf door Astellas [48] voorgestelde prejudiciële vragen die Uw Raad zou dienen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie bij andere dan door Astellas bepleite beantwoording van de onderhavige prejudiciële vragen in onze zaak (en die beantwoording, die uitmondt in een saisie-stelsel, acht ik bepaald onwenselijk), laat ik uit opportuniteitsoverwegingen in dit stadium buiten bespreking. De voorgestelde vragen spiegelen grotendeels de in onze zaak gestelde vragen. Daarover kan desgewenst op verzoek van Uw Raad nader worden geconcludeerd.
AIB/Novisemwordt vooropgesteld dat de vraag wat een voldoende mate van aannemelijkheid van inbreuk is niet in algemene zin kan worden beantwoord, omdat het daarbij aankomt op waardering van de stellingen en verweren van partijen en de overtuigingskracht van al overgelegd bewijsmateriaal. Er geldt weliswaar als
uitgangspuntdat de kort geding-drempel niet behoeft te worden gehaald en dat de in de feitenrechtspraak gehanteerde formule van een redelijk vermoeden van (dreigende) inbreuk geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting (zie voor dit alles rov. 4.1.5 van genoemd arrest, hiervoor geciteerd in 4.5), maar ik lees dit zo [49] dat dit laat ruimte voor nuancering en nadere invulling naar gelang de specifieke omstandigheden van het geval. Die omstandigheden zijn hier: het gaat niet om inzage in technisch inbreukbewijs, zodat de ratio voor een verlaagde drempel zich niet aandient, terwijl sprake is van grondig onderbouwde (nietigheids- en) non-inbreuk verweren, die de voorzieningenrechter tot het voorlopig oordeel bracht dat de kort geding drempel voor inbreuk niet werd gehaald.
AIB/Novisemgeeft ook voeding aan het trekken van een parallel met een andere ons bekende figuur uit het procesrecht. Dat betreft de
verzwaarde stelplichtdie wordt aangenomen naar mate het verweer meer concreet en onderbouwd is. Zo kan in ons geval ruimte zijn voor een hogere drempel voor inzage afhankelijk van de substantiëring van het nietigheids- en/of non-inbreukverweer. Nu dat in deze zaak uitvoerig onderbouwd wordt gevoerd op beide vlakken, acht ik te billijken dat de drempel voor inzage in niet-technisch inbreukbewijs in afwijking van het uitgangspunt uit
AIB/Novisemwel wordt opgetrokken naar het niveau van de kort geding inbreukmaatstaf.
AIB/Novisem: de maatstaf is dat voldoende aannemelijk moet zijn dat inbreuk op een recht van intellectuele eigendom is of dreigt te worden gemaakt (rov. 4.1.5 uit genoemd arrest). In zijn algemeenheid kan niet worden gezegd wat een voldoende mate van aannemelijkheid is, met als uitgangspunt dat niet (als regel) behoeft te zijn voldaan aan de kort geding inbreukmaatstaf; er moet sprake zijn van een redelijk vermoeden van (dreigende) inbreuk.
AIB/Novisem, omdat de bewijsnoodratio voor dat uitgangspunt dan niet opgaat en geldt wel als drempel ten minste de maatstaf die geldt voor inbreuk in kort geding. Zoals bekend is die maatstaf een prognose van de uitkomst van de bodemzaak aan de hand van het in kort geding voorhanden materiaal en behelst dat zodoende een voorlopig oordeel over de geldigheid en beschermingsomvang van het ingeroepen recht en de vraag of onder die beschermingsomvang wordt gekomen. Wordt voorshands geoordeeld dat een gerede of serieuze, niet te verwaarlozen kans bestaat dat het ingeroepen recht nietig is, dan wordt die drempel niet gehaald. Hetzelfde geldt voor het voorlopig oordeel dat niet onder de beschermingsomvang wordt gekomen (in ons geval van een octrooizaak: met het bestreden product of de bestreden werkwijze). In die gevallen komt naar mijn inzicht een exhibitievordering niet voor toewijzing in aanmerking, zolang de eiser niet over de kort gedingdrempel komt.