Conclusie
1.Feiten en procesverloop
3.de in de Akte nader omschreven roerende zaken;
2.Bespreking van het cassatiemiddel
vermogensrechtkan worden gekwalificeerd.
subonderdeel 1.1). ING Bank voert hiertoe aan dat artikel 3:6 BW Pro een niet-limitatieve opsomming van vermogensrechten geeft. Waar het om gaat is of de assurantieportefeuille, althans het subjectieve recht daarop, als zodanig economische waarde vertegenwoordigt. Die vraag moet volgens ING Bank bevestigend worden beantwoord.
subonderdeel 1.2). Zij voert hiertoe aan dat de overdraagbaarheid van een assurantieportefeuille alleen (mede) bepalend is voor de vraag of de assurantieportefeuille althans het recht daarop, zijnde een vermogensrecht, ook kan worden verpand (art. 3:81 lid 1 BW Pro en art. 3:228 BW Pro).
overdraagbaaris.
subonderdeel 2.1klaagt ING Bank dat de rechtbank met haar oordeel in rov. 4.7 dat (kort gezegd) nu de overdracht van assurantieportefeuilles niet wettelijk is geregeld, moet worden aangenomen dat op een assurantieportefeuille geen pandrecht kan worden gevestigd, miskent dat de assurantieportefeuille als zodanig overdraagbaar en dus tevens verpandbaar is. Het enkele feit dat de in § 4.3.8.3 van de Wft opgenomen bepalingen zien op de rechtsverhouding met betrekking tot één verzekeraar en in die verhouding bepaalde waarborgen bieden, neemt volgens ING Bank niet weg dat die bepalingen uitgaan van overdraagbaarheid van de assurantieportefeuille als zodanig. Met die overdracht gaat niet alleen de verhouding met betrekking tot een verzekeraar over op een derde (waarvoor artikel 4:103 lid 4 Wft Pro van belang is), maar tevens het geheel aan relaties met verzekeringnemers, de aan de afgesloten verzekeringen verbonden aanspraken, en goodwill. Dit kan één of meer verzekeraars aangaan, waarvoor steeds artikel 4:103 lid 4 Wft Pro geldt, aldus ING Bank.
subonderdeel 2.2).
subonderdeel 2.3). Overdraagbaarheid is immers slechts vereist opdat het goed bij uitwinning te gelde kan worden gemaakt. [9] De verzekeringsportefeuille als zodanig vertegenwoordigt vermogenswaarde die door middel van executie kan worden gerealiseerd. Dat die executie aan beperkingen onderhevig zou zijn omdat medewerking van de verzekeraar en de verzekeringsnemer is vereist, doet hieraan volgens ING Bank niet af.
subonderdeel 2.4klaagt ING Bank vervolgens dat de rechtbank met haar oordeel een te strenge uitleg heeft gegeven aan het overdraagbaarheidsbegrip van artikel 3:83 lid 3 BW Pro. Volgens ING Bank is voor het antwoord op de vraag of in een specifiek geval sprake is van overdraagbaarheid, beslissend of dit in het stelsel van de wet past. Uit het stelsel van de wet kan volgens ING Bank worden afgeleid dat de assurantieportefeuille overdraagbaar is. Voor zover aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag ligt dat voor overdraagbaarheid van vermogensrechten (behoudens vorderingsrechten) steeds een expliciete wettelijke basis vereist is, getuigt dit volgens ING Bank van een onjuiste rechtsopvatting.
overdraagbaar vermogensrechtis waarop een pandrecht kan worden gevestigd. [10] In zowel de rechtspraak [11] als de literatuur [12] bestaat hierover verdeeldheid. De vraag naar de verpandbaarheid van een assurantieportefeuille is actueel, omdat de assurantieportefeuille wordt aangemerkt als een belangrijk vermogensbestanddeel van de assurantietussenpersoon, dat als geheel meer waard is dan de optelsom van de losse onderdelen van deze portefeuille tezamen. Financiers ambiëren daarom een zekerheidsrecht op de portefeuille als geheel, en niet slechts op de losse onderdelen ervan. [13] Voor de financiering van (met name kleine) tussenpersonen wordt het van groot belang geacht dat zij hun assurantieportefeuille als onderpand kunnen aanbieden, nu zij verder vaak weinig eigen vermogen hebben. [14] Hier wordt echter tegen ingebracht dat de onderneming van een assurantietussenpersoon niet kapitaalintensief is, dat potentiële winstgevendheid belangrijker is dan verpandbare vermogensbestanddelen (banken verwachten dat zij worden terugbetaald uit de
cash flowen niet uit de executie van zekerheden) en dat andere vormen van (persoonlijke) zekerheidsrechten bedongen kunnen worden. [15]
Elke tussenpersoon, die zijn beroep goed uitoefent, ongeacht of hij al dan niet de premiën int of daarvoor verantwoordelijk is, zal al de door hem gesloten verzekeringen regelmatig toetsen aan de werkelijkheid en daartoe de verzekeringnemers bezoeken; zijn taak is voor de belangen van deze verzekeringnemers te waken en zodoende de vertrouwenspositie, die hij behoort in te nemen, te bevestigen en te versterken. Hij zal zich beijveren elk contact tussen de verzekeraar en de verzekeringnemer via hem te leiden. Het gevolg is natuurlijk mede, dat door de gevestigde relatie de verzekeringnemers vaak nieuwe verzekeringen door zijn bemiddeling zullen afsluiten. Het op deze wijze gevormde geheel van relaties en meer concreet van de bestaande verzekeringsovereenkomsten wordt in het spraakgebruik met het woord ‘portefeuille’ aangeduid.” [19]
De portefeuille van de tussenpersoon wordt gevormd door de verzekeringen die door zijn bemiddeling tot stand zijn gekomen of aan hem in beheer zijn gegeven.” [20]
(vorderings)rechtendie de assurantiebemiddelaar jegens de verzekeraars en de verzekeringnemers heeft in verband met de verzekeringsovereenkomsten die hij beheert (zoals het recht op provisie [21] ) en (ii) de (meer)waarde die de relaties van de assurantiebemiddelaar met de verzekeringnemers voor hem hebben en die als een vorm van
goodwillis te beschouwen, bestaande uit de verwachting dat de bemiddelaar dankzij deze relaties nieuwe verzekeringen zal kunnen bemiddelen waardoor hij nieuwe provisievorderingen verkrijgt. [22]
het geheel van de relaties van deze tussenpersonen met de verzekeringnemers, die zij als hun cliënten beschouwen – de ‘portefeuille’ van de tussenpersoon – als een aan dezen toekomend, in beginsel overdraagbaar vermogensobject werd beschouwd.” [26]
de relaties van de tussenpersoon met de verzekeringnemers, welke de verzekeringsportefeuille vormen, ertoe kunnen leiden, dat door bemiddeling van de tussenpersoon nieuwe verzekeringen worden afgesloten; dat de waarde van zodanige relaties, in zoverre zij de mogelijkheid inhouden dat in de toekomst voordeel biedende transacties kunnen worden gesloten, deel uitmaakt van de goodwill van een onderneming.” [27]
het geheel van lopende opdrachten van een assurantietussenpersoon, waarbij de assurantietussenpersoon (potentiële) verzekeringnemers adviseert over allerhande vragen ten aanzien van verzekeringen en bemiddelt tussen de verzekeraar en de (potentiële) verzekeringnemer om verzekeringen af te sluiten, waarbij de assurantietussenpersoon in sommige gevallen een provisie ontvangt van de verzekeraar. In de overige gevallen zal de assurantietussenpersoon een vergoeding ontvangen van de verzekeringnemer.” [28] . In cassatie vermeldt ING Bank dat de assurantieportefeuille naast verplichtingen ook (vorderings)rechten en de in dit samenstel belichaamde goodwill (oftewel het rendementspotentieel verbonden aan de bestaande relaties) omvat. [29]
een – niet sluitend vast te stellen – samenstel van contracten, rechten en verplichtingen, waarschijnlijk bestaande uit de overeenkomsten, vorderingsrechten en goodwill.” [30]
overeenkomsten(zowel tussen de assurantietussenpersoon en de verzekeraars als tussen de assurantietussenpersoon en de verzekeringnemers), de uit die overeenkomsten voortvloeiende
(vorderings)rechtenen de daarmee samenhangende
goodwill.
goederendie
voor overdracht vatbaarzijn, een recht van pand (hetzij van hypotheek) kan worden gevestigd. Goederen zijn alle zaken en alle vermogensrechten (art. 3:1 BW Pro). Zaken zijn de voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten (art. 3:2 BW Pro). Een assurantieportefeuille kwalificeert volgens deze definitie niet als zaak. Er resteert de vraag of een assurantieportefeuille kwalificeert als een vermogensrecht in de zin van artikel 3:6 BW Pro.
als geheelvolgt uit artikel 3:83 lid 3 BW Pro jo. artikel 4:103 lid 4 Wft Pro. In dit laatste artikel is bepaald dat de verzekeraar op schriftelijk verzoek van een bemiddelaar zijn medewerking verleent aan de gehele of gedeeltelijke
overdracht van de portefeuillevan die bemiddelaar aan een andere bemiddelaar, tenzij de verzekeraar gegronde bezwaren heeft tegen die bemiddelaar. De meningen lopen uiteen over of deze bepaling een regeling van overdracht in goederenrechtelijke zin behelst.
hetzij afzonderlijk hetzij tezamen met een ander recht, overdraagbaar zijn, of er toe strekken de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen, ofwel verkregen zijn in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht gesteld stoffelijk voordeel. Deze maatstaven gelden alternatief, niet cumulatief. Om van een vermogensrecht te kunnen spreken, is dus niet vereist dat het recht overdraagbaar is. [33] Overdraagbaarheid staat echter voorop omdat verhandelbaarheid vermogenswaarde genereert. [34] In het algemeen hebben vermogensrechten de eigenschap dat zij op geld waardeerbaar zijn. [35]
een bijzondere door het recht iemand toegekende bevoegdheid, die hem verleend wordt om zijn belang te dienen”. [37] Gelet op de ruime opvatting van het begrip (subjectief) vermogensrecht, enkele arresten van uw Raad [38] en de wetgeschiedenis waarin wordt gesproken over ‘eigendom’ van een portefeuille [39] , wordt in de literatuur wel aangenomen dat een assurantieportefeuille een subjectief vermogensrecht (en daarmee een goed) is. [40]
O. dat bij de totstandkoming van de Wet Assurantiebemiddeling op de voorgrond heeft gestaan verbetering in de rechtspositie der tussenpersonen, als bemiddelaars tussen de verzekeraars en de verzekeringnemers; dat het geheel van de relaties van deze tussenpersonen met de verzekeringnemers, die zij als hun cliënten beschouwen – de 'portefeuille' van de tussenpersoon –, daarbij als een aan dezen toekomend, in beginsel overdraagbaar vermogensobject werd beschouwd;”.
zaak, die deel uitmaakt van de bezittingen in de zin van artikel 4 Wet Pro op de vermogensbelasting 1964, met dien verstande dat zulks uitzondering lijdt indien en voor zover de portefeuille als goodwill is aan te merken. Het recht op de portefeuille behoort tot de bezittingen, voor zover het zijn waarde ontleent aan rechten, verbonden aan reeds afgesloten verzekeringen. In zijn noot onder dit arrest merkt Kleijn op dat het twijfelachtig is of uw Raad met zijn opmerkingen omtrent het zaakskarakter van de assurantieportefeuille verder heeft willen gaan dan het geven van een uitleg aan artikel 4 van Pro de Wet op de Vermogensbelasting 1964 en met name zou hebben bedoeld een uitspraak te geven over het zaaksbegrip in artikel 555 BW Pro (oud). [44]
algemeenheid van goederen. Dit brengt met zich dat een assurantieportefeuille, evenals bijvoorbeeld een onderneming die in het dagelijks verkeer ook als eenheid wordt beschouwd, goederenrechtelijk niet valt te kwalificeren als rechtsobject. [45] Dit neemt overigens niet weg dat een assurantieportefeuille in dat geval als eenheid wel verbintenisrechtelijke betekenis heeft: de portefeuille kan bijvoorbeeld worden verkocht, maar voor (goederenrechtelijke) overdracht is noodzakelijk dat elk van de afzonderlijke onderdelen wordt geleverd conform de daarvoor geldende voorschriften. [46]
gehele of gedeeltelijke overdracht van de portefeuille van die bemiddelaaraan een andere bemiddelaar, tenzij de verzekeraar gegronde bezwaren heeft tegen die bemiddelaar. Deze bepaling is opgenomen in § 4.3.8.3 van de Wft, waarin de onderlinge verhouding tussen een assurantietussenpersoon en één verzekeraar wordt geregeld en waarin binnen die relatie aan een assurantietussenpersoon bepaalde waarborgen worden geboden. [50] In de literatuur is men verdeeld over de vraag of deze bepaling ziet op de goederenrechtelijke overdracht van een assurantieportefeuille.
goederenrechtelijkworden opgevat. Aanwijzingen hiervoor zijn dat de relevante artikelen in de Wft geen koppeling maken met (het bestaan van) een overeenkomst met de verzekeraar, en dat de verzekeraar nauwelijks de vrijheid heeft de overdracht te weigeren. Dit zou erop wijzen dat geen sprake is van contractsovername in de zin van artikel 6:159 BW Pro. [52] Ook Kaptein meent dat de assurantieportefeuille (in tegenstelling tot een vastgoedportefeuille of een ‘onderneming’) overdraagbaar is op grond van de wet en wijst in dit verband op artikel 4:103 lid 4 Wft Pro en op jurisprudentie van uw Raad. [53]
welkan worden aangemerkt als contractsoverneming, waarbij zowel de contracten als de daaruit voortvloeiende rechten en verplichtingen op de nieuwe bemiddelaar overgaan. Hij signaleert daarbij dat voor verpanding de mogelijkheid van overgang krachtens contractsoverneming echter niet genoeg is: het pandobject moet overdraagbaar zijn. Hij merkt vervolgens op dat de ratio van dit overdraagbaarheidsvereiste is gelegen in het feit dat de wetgever aan het pandobject (slechts) de eis heeft willen stellen dat het vermogenswaarde vertegenwoordigt die door middel van executie door de pandhouder kan worden gerealiseerd. Nu executie door middel van ‘overdracht’ (in de zin van art. 4:103 lid 4 Wft Pro) volgens Steneker praktisch gewoon mogelijk is, is zijns inziens de wenselijkheid van de mogelijkheid tot verpanding gegeven en moeten dogmatische bezwaren zoveel als mogelijk worden weggenomen. [54]
verbintenisrechtelijkezin, te weten door contractsoverneming (art. 6:159 BW Pro) en dat dit artikel de assurantieportefeuille daarom niet goederenrechtelijk overdraagbaar maakt. Hij merkt in dit verband nog op dat een assurantieportefeuille mede bestaat uit de relaties die de bemiddelaar met de
verzekeringnemersheeft (via de overeenkomsten van opdracht). Om deze over te dragen dient eveneens contractsoverneming plaats te vinden, en wel met medewerking van de verzekeringnemers. [56] Voor goederenrechtelijke overdracht van een assurantieportefeuille is daarom noodzakelijk dat elk van de afzonderlijke onderdelen wordt geleverd conform de daarvoor geldende voorschriften, hetgeen voor een aantal onderdelen niet mogelijk is. Wat betreft de assurantieportefeuille als geheel kan dan ook niet aan het overdraagbaarheidsvereiste van artikel 3:228 en Pro 3:98 BW jo. artikel 3:83 lid 3 BW Pro worden voldaan. [57]
alshet al zo is dat met de term ‘overdracht’ in artikel 4:103 lid 4 Wft Pro (en haar voorgangers) niet iets anders is bedoeld dan een overdracht in algemene, feitelijke en economische zin (zonder dat daarmee civielrechtelijke consequenties zijn beoogd), overdraagbaarheid van de assurantieportefeuille blijkens dit artikel past in het stelsel van de wet. ING Bank wijst op de bezwaren die bestaan ten aanzien van artikel 3:83 lid 3 BW Pro [62] en betoogt dat artikel 4:103 lid 4 Wft Pro daarom (alsnog) voldoende grondslag biedt voor de aanname dat de assurantieportefeuille vatbaar is voor overdracht.
Quint/te Poel [64] . [65]
Quint/te Poel-formule en wordt aangenomen dat artikel 3:83 lid 3 BW Pro aldus moet worden uitgelegd dat de daar bedoelde rechten slechts overdraagbaar zijn als dit in het stelsel van de wet past en aansluit bij de al in de wet geregelde gevallen, dan is het nog maar de vraag of aan dit criterium wordt voldaan.
nietvoortvloeien uit een ten tijde van de verpanding bestaande rechtsverhouding (tussen bijvoorbeeld de assurantietussenpersoon en een toekomstige verzekeringnemer) – als geheel kan worden verpand, dit strijdig is met artikel 3:329 lid 1 BW Pro. [68]
welde goederenrechtelijke overdracht van een assurantieportefeuille als geheel zou regelen – dit artikel dan ook in de overdracht van goodwill en absoluut toekomstige vorderingen zou voorzien en tevens zou meebrengen dat de rechtsverhouding tussen de assurantietussenpersoon en de verzekeringnemers overgaat op een andere tussenpersoon zónder dat deze verzekeringnemers daar hun medewerking aan hebben verleend. Deze argumenten brengen mijns inziens tevens mee dat niet kan worden gezegd dat een goederenrechtelijke overdracht van een assurantieportefeuille op grond van art. 4:103 lid 4 Wft Pro past in het stelsel van de wet en aansluit bij de wel in de wet geregelde gevallen (de
Quint/te Poel-formule).
welmoet worden aangenomen dat een assurantieportefeuille in zijn geheel kan worden verpand.
gevestigd. ING Bank betoogt (s.t. onder 5.10-5.11) dat levering van een assurantieportefeuille als geheel (en daarmee via de schakelbepaling van artikel 3:98 BW Pro ook de vestiging van een pandrecht op een dergelijke assurantieportefeuille) geschiedt door middel van een daartoe bestemde akte (art. 3:95 BW Pro). Door deze akte en medewerking van de verzekeraar (ex art. 4:103 lid 4 Wft Pro) zou de assurantieportefeuille – met de daaraan verbonden rechten en verplichtingen en de daarin belichaamde goodwill – overgaan. De met de portefeuille verbonden overeenkomsten blijven volgens ING Bank achter bij de oorspronkelijke partijen. Desgewenst zal voor overdracht daarvan moeten worden voldaan aan de regels van contractsoverneming (art. 6:159 BW Pro). Vereist voor overdracht van de assurantieportefeuille is dit volgens ING Bank in beginsel echter niet (s.t. onder 5.12).
executievan dit pandrecht.
pluscontractsoverneming van de overeenkomst tussen de verzekeraar en de assurantietussenpersoon-vervreemder, hetgeen zou kunnen bij één, door vervreemder en verkrijger ondertekende, akte. [78] Jonk-van Wijk, De Rond en Van Dijk merken daarbij op dat ook een akte ex artikel 6:159 BW Pro nodig is om de overeenkomst tussen de overdragende assurantietussenpersoon en de
verzekeringsnemersover te dragen. [79]
een bemiddelaarzijn medewerking verleent aan de gehele of gedeeltelijke overdracht van de portefeuille van die bemiddelaar aan een andere bemiddelaar, tenzij de verzekeraar gegronde bezwaren heeft tegen die bemiddelaar). [81] Volgens Kaptein is verdedigbaar dat ons recht de bevoegdheid tot het doen van een dwingend schriftelijk verzoek tot medewerking aan de verzekeraar ook toekent aan de rechtverkrijgende (pandhouder) van de tussenpersoon. De bevoegdheid tot het doen van een dergelijk schriftelijk verzoek is als het ware onderdeel van de beschikkingsmacht van de rechthebbende van het portefeuillerecht. Zonder deze bevoegdheid kan de pandhouder immers niet volledig executeren en kan hij niet de volledige waarde van het portefeuillerecht realiseren. [82]
onderdeel 1zien op de vraag of een assurantieportefeuille als zodanig als een
vermogensrechtkan worden gekwalificeerd. Op grond van het hiervoor geschetste juridisch kader meen ik dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord.
Subonderdeel 1.1, dat van een bevestigende beantwoording uitgaat, dient dan ook te falen.
subonderdeel 1.2faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. In rov. 4.8 oordeelt de rechtbank dat de assurantieportefeuille als algemeenheid van goederen geen goederenrechtelijke eenheid is, zodat alleen de bouwstenen afzonderlijk en voor zover dat volgens de wet mogelijk is kunnen worden overgedragen. Vervolgens komt de rechtbank tot de conclusie dat slechts de vorderingsrechten goederenrechtelijk overdraagbaar zijn en dat slechts daarop een pandrecht kon worden gevestigd (onder verwijzing naar de artikelen 3:228 in verbinding met 3:98 en 3:83 lid 3 BW). In combinatie met de overweging in rov. 4.7 (slot) dat overdraagbaarheid een essentiële voorwaarde is
om een pandrecht te kunnen vestigenwaarbij gewezen wordt op artikel 3:228 BW Pro, kan mijns inziens niet gezegd worden dat in het oordeel van de rechtbank de opvatting besloten ligt dat voor de vraag of een assurantieportefeuille als vermogensrecht kan worden aangemerkt, bepalend is of de assurantieportefeuille kan worden overgedragen.
onderdeel 2zien op de vraag of een assurantieportefeuille
overdraagbaaris. In het hiervoor geschetste juridisch kader is uiteengezet dat dit naar mijn mening niet het geval is, nu artikel 4:103 lid 4 Wft Pro niet geldt als wettelijke bepaling die regelt dat een assurantieportefeuille als ‘ander recht’ overdraagbaar is in goederenrechtelijke zin (ex art. 3:83 lid 3 BW Pro). De rechtbank komt in haar vonnis (in rov. 4.7) mijns inziens dan ook terecht tot het oordeel dat in artikel 4:103 lid 4 Wft Pro “niet een goederenrechtelijke overdracht van assurantieportefeuilles in het algemeen is geregeld, zodat niet op grond van die bepaling kan worden gesteld dat assurantieportefeuilles een goederenrechtelijk rechtsobject zijn waarop een pandrecht kan worden gevestigd”. De
subonderdelen 2.1 en 2.2falen daarom.
alsartikel 3:83 lid 3 BW Pro al ruim zou moeten worden geïnterpreteerd) mijns inziens bezwaren bestaan die meebrengen dat niet kan worden gezegd dat een goederenrechtelijke overdracht van een assurantieportefeuille gebaseerd op artikel 4:103 lid 4 Wft Pro past in het stelsel van de wet. Daarmee faalt ook
subonderdeel 2.4.
subonderdeel 2.5een voortbouwklacht. Deze deelt het lot van de voorgaande klachten.