ECLI:NL:PHR:2014:359

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 maart 2014
Publicatiedatum
13 mei 2014
Zaaknummer
12/01494
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 27 SrArt. 81 ROArt. 342 lid 2 SvArt. 359 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest mishandeling wegens motiveringsgebrek en schending redelijke termijn

De verdachte werd door het hof Amsterdam veroordeeld voor mishandeling en kreeg een voorwaardelijke werkstraf opgelegd. In cassatie werden drie middelen ingediend: overschrijding van de redelijke termijn, onbetrouwbaarheid van een getuigenverklaring en toepassing van de unus testis-regel.

De Hoge Raad oordeelde dat de redelijke termijn in hoger beroep met bijna twee maanden was overschreden, maar dat dit niet tot cassatie kon leiden omdat dit verweer in hoger beroep niet was aangevoerd. Wel werd overwogen dat het tijdsverloop in cassatie aan de orde kan komen.

Het hof had zonder nadere motivering afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde verweer van de verdediging dat de verklaring van een getuige onbetrouwbaar was. Dit is in strijd met art. 359 lid 2 en Pro lid 8 Sv, wat nietigheid tot gevolg heeft. De klacht over de unus testis-regel faalde omdat het hof voldoende steunbewijs had geconstateerd.

De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof Amsterdam voor een nieuwe beoordeling binnen het bestaande hoger beroep. De redelijke termijn kan bij die behandeling opnieuw aan de orde worden gesteld.

Uitkomst: Het arrest van het hof Amsterdam wordt vernietigd wegens schending van motiveringsplicht en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.

Conclusie

Nr. 12/01494
Zitting: 25 maart 2014
Mr. Bleichrodt
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 6 maart 2012 de verdachte wegens “mishandeling” veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren, en met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro.
2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. J. Sietsma, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het
eerste middelbehelst de klacht dat de behandeling van de gehele strafzaak tegen de verdachte niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro, aangezien het hof niet binnen twee jaren na het instellen van het appel het eindarrest heeft gewezen.
4. Namens de verdachte is op 7 januari 2010 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter. De twee-jaarstermijn is op 7 januari 2012 geëindigd. Na behandelingen op de terechtzittingen in hoger beroep van 7 juni 2011 [1] en 21 februari 2012 [2] heeft het hof op 6 maart 2012 uitspraak gedaan. De redelijke termijn in de fase van het hoger beroep is daarmee met bijna twee maanden overschreden.
5. In cassatie kan echter niet met vrucht worden geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn als gevolg van het tijdsverloop vóór de uitspraak in hoger beroep, wanneer de zaak in hoger beroep in tegenwoordigheid van de (gemachtigde) raadsman van de verdachte is behandeld en ter terechtzitting in hoger beroep een dergelijk verweer niet is gevoerd. [3] Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 februari 2012 en de op die terechtzitting overgelegde pleitnotities blijkt niet dat de aldaar aanwezige raadsman, die heeft medegedeeld dat hij door de (afwezige) verdachte uitdrukkelijk is gemachtigd om hem als advocaat te verdedigen, heeft aangevoerd dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Daarbij moet worden opgemerkt dat de uitspraaktermijn in hoger beroep ten tijde van die terechtzitting reeds was overschreden.
6. Ten overvloede merk ik op dat strafvermindering evenmin in aanmerking zou komen in geval de verdediging in hoger beroep wel zou hebben aangevoerd dat de redelijke termijn was overschreden. Indien voornoemde overschrijding van de redelijke termijn zich in de cassatiefase zou hebben voorgedaan, zou de Hoge Raad immers, gelet op de aan de verdachte opgelegde straf en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, hebben kunnen volstaan met de vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM. [4]
7. Het middel faalt.
8. Het
tweede middelbevat de klacht dat het hof in zijn arrest zonder opgave van bijzondere redenen die daartoe hebben geleid is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging betreffende de onbetrouwbaarheid van een getuigenverklaring.
9. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“hij op 14 mei 2009 te Amsterdam opzettelijk mishandelend [betrokkene] met de hand in het gezicht heeft geslagen, waardoor voornoemde [betrokkene] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.”
10. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
(1) Een op 18 september 2009 bij de politie afgelegde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende:
“Ik ben woonachtig op de [a-straat 1] (het hof begrijpt: te Amsterdam).”
(2) Een op 14 mei 2009 bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene], voor zover inhoudende:
“Ik, bewoonster van [a-straat 2] te Amsterdam, liep op 14 mei 2009 naar mijn fiets die buiten stond. Op dat moment kwam de buurman van [a-straat 1] naar mij toe lopen. Ik zag dat hij zijn arm ophief en zijn vlakke hand met kracht en kennelijk opzettelijk in mijn gezicht sloeg. Ik voelde hierdoor een stekende pijn aan de linkerkant van mijn gezicht. Vanochtend ben ik naar het ziekenhuis geweest omdat ik zo'n pijn had. Ik heb op dit moment erge hoofdpijn.”
(3) Een op 29 augustus 2009 bij de politie afgelegde verklaring van [getuige], voor zover inhoudende:
“Ik ben woonachtig op [a-straat 3] te Amsterdam. Ik zag dat mijn bovenbuurvrouw van perceel [a-straat 2] haar fiets van het slot aan het halen was (het hof begrijpt: op 14 mei 2009). Op dat moment zag ik de bovenbuurman van [a-straat 1] naar haar toelopen, bijna toestormen. Ik zag dat hij gelijk begon te slaan tegen haar hoofd. Ik hoorde haar gillen van de pijn.”
(4) Een geneeskundige verklaring betreffende [betrokkene] van 15 mei 2009, voor zover inhoudende:
“Uitwendig waargenomen letsel
Bloeduitstorting: ter plaatse van het linkerjukbeen, met kleine ontvelling.
Subjectieve klachten
Hoofdpijn.”
11. Zoals blijkt uit de op de terechtzitting in hoger beroep van 21 februari 2012 overgelegde pleitnotities, heeft de raadsman bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, onder meer omdat de verklaringen van de getuige [getuige] van het bewijs moeten worden uitgesloten, omdat er te veel tegenstrijdigheden in haar verklaringen zitten en haar verhaal “niet plausibel” is. De raadsman heeft daartoe onder de aanhef “onbetrouwbaarheid getuige” onder meer het volgende aangevoerd. Een toets van de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige aan objectieve gegevens is in deze zaak niet mogelijk. Voorts is de verklaring van de getuige tegenstrijdig met de verklaring van de aangeefster, voor zover de getuige heeft verklaard dat zij geen letsel heeft waargenomen omdat de aangeefster een hoofddoek droeg en dat er sprake was van een slagenregen. Daarnaast zijn er opvallende tegenstrijdigheden in de verklaringen van de getuige zelf ten aanzien de door de verdachte gebezigde woorden, het weglopen van de verdachte en het zien van het slaan. Ten slotte is de inhoud van de verklaring van de getuige “niet plausibel”, aangezien de getuige pas 3,5 maanden na het vermeende incident bij de politie een verklaring heeft afgelegd en nog eens 2 jaren later bij de raadsheer-commissaris een verklaring heeft afgelegd, de getuige niet zou hebben gezien of aangeefster met de vlakke hand of met gebalde vuist is geslagen, terwijl zij op minder dan een meter afstand stond, en haar verhaal over het slaan op het hoofd niet klopt. [5]
12. Het hof heeft in de bestreden uitspraak geen afzonderlijke overweging gewijd aan (de verwerping van) dit verweer. Onder de aanhef “bewezenverklaring” heeft het hof slechts overwogen dat het zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan grondt op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Daarnaast heeft het hof de hiervoor onder 10 weergegeven bewijsmiddelen, waaronder de op 29 augustus 2009 bij de politie afgelegde verklaring van [getuige], voor het bewijs gebruikt.
13. Hetgeen door de raadsman op de terechtzitting in hoger beroep van 21 februari 2012 is aangevoerd met betrekking tot de onbetrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige [getuige] kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het hof naar voren is gebracht. De raadsman heeft het ter terechtzitting in hoger beroep uitdrukkelijk voorgedragen standpunt, kort gezegd inhoudende dat dat deze verklaringen onbetrouwbaar zijn, onderbouwd met verschillende argumenten en daartoe onder meer gewezen op tegenstrijdigheden in die verklaringen. Een groot deel van de acht pagina’s bestrijkende pleitnotities is gewijd aan de gemotiveerde bestrijding van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige] (pagina 2 t/m 6). Voorts heeft de raadsman daaraan de - ondubbelzinnige - conclusie verbonden dat de verdachte dient te worden vrijgesproken (pagina 8). Het hof is in zijn arrest van dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt afgeweken door één van de verklaringen van [getuige] voor het bewijs te bezigen. Het hof heeft echter in strijd met art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv niet in het bijzonder de redenen opgegeven die daartoe hebben geleid. Dat verzuim heeft ingevolge art. 359, achtste lid, Sv nietigheid tot gevolg. [6]
14. Gelet op de onderbouwing van het standpunt, kan niet worden gesteld dat in de uitspraak, in het bijzonder in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, de redenen besloten liggen waarom het hof van het in de schriftuur weergegeven standpunt is afgeweken. Daarbij merk ik op dat de gestelde tegenstrijdigheden tussen de verklaringen van de getuige [getuige] en de aangeefster slechts een relatief klein onderdeel van het verweer inhielden. Voorts moet in aanmerking worden genomen dat in het arrest geen nadere bewijsoverweging is opgenomen. De enkele overweging van het hof dat het zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan grondt op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, kan niet als een dergelijke nadere bewijsoverweging worden aangemerkt. Daarin verschilt de overweging van die in HR 4 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:238 en HR 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:476. In die zaken had het hof in een nadere bewijsoverweging overwogen dat het tot vrijspraak strekkende verweer wordt weerlegd c.q. weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen en dat het hof geen reden heeft aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Ook die bewijsoverweging is betrekkelijk algemeen van aard en biedt nauwelijks inzicht in de concrete overwegingen die aan het niet honoreren van het betrouwbaarheidsverweer ten grondslag hebben gelegen. Dat neemt niet weg dat het hof er in die zaken in elk geval blijk van had gegeven acht te hebben geslagen op het verweer en uitdrukkelijk te kennen had gegeven de door de verdediging geuite twijfels aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de inhoud van de bewijsmiddelen niet te delen. Daarmee krijgt de verdediging in elk geval een antwoord, hoe algemeen van aard ook, dat verder zal moeten worden ingekleurd door de bestudering van de bewijsmiddelen. In de onderhavige zaak ontbreekt een dergelijke overweging en daarmee enige verwijzing naar het ter terechtzitting naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, terwijl het hof de bewijsvoering in belangrijke mate heeft gegrond op één van de bestreden verklaringen van [getuige]. Daarmee is het bepaalde in art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv (in verbinding met art. 415, eerste lid, Sv) geschonden.
15. Het middel slaagt.
16. Het
derde middelbehelst de klacht dat het hof in zijn arrest zonder opgave van bijzondere redenen die daartoe hebben geleid is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging betreffende de “unus testis-regel”.
17. Zoals blijkt uit de op de terechtzitting in hoger beroep van 21 februari 2012 overgelegde pleitnotities, heeft de raadsman bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, onder meer omdat het ten laste gelegde niet enkel op basis van de verklaring van de aangeefster wettig en overtuigend kan worden bewezen. Daartoe voerde de raadsman aan dat de verklaringen van de getuige [getuige] dienen te worden uitgesloten van het bewijs, terwijl er geen objectief steunbewijs voorhanden is.
18. Ook aan (de verwerping van) dit verweer heeft het hof in de bestreden uitspraak geen afzonderlijke overweging gewijd.
19. Naar mijn mening was het hof daartoe niet gehouden. In dit verband dient onderscheid te worden gemaakt tussen enerzijds het oordeel van de rechter dat het gebezigde bewijsmateriaal betrouwbaar is en anderzijds het oordeel dat aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan. Het voorschrift van art. 342, tweede lid, Sv betreft geen motiveringsverplichting. De toepassing van deze bewijsminimumregel veronderstelt geen activiteit van de verdediging, maar ziet rechtstreeks op de bewijsvoering door de rechter. De rechter dient zich, ongeacht of ter zake door de verdediging iets is aangevoerd, ervan te vergewissen dat het bewijsoordeel niet in essentie op de verklaring van één getuige berust. [7] Wanneer de rechter van oordeel is dat aan voornoemd bewijsminimum is voldaan, is hij in het algemeen niet gehouden dat oordeel nader te motiveren, zelfs niet wanneer op dat punt verweer is gevoerd. Een verweer omtrent het ontbreken van steunbewijs kan immers in voldoende mate zijn weerlegging vinden in de door het hof gebezigde bewijsvoering. In een dergelijk geval noopt art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv de rechter niet zijn uitspraak in dat opzicht nader te motiveren. [8]
20. Hetgeen door de raadsman op de terechtzitting in hoger beroep van 21 februari 2012 is aangevoerd met betrekking tot de “unus testis-regel” is onmiskenbaar gericht op het ontbreken van steunbewijs. Dit standpunt vindt in voldoende mate zijn weerlegging in de door het hof gebezigde bewijsvoering. De bij de politie afgelegde verklaring van de aangeefster [betrokkene] vindt immers in voldoende mate steun in het overige bewijsmateriaal, in het bijzonder in de bij de politie afgelegde verklaring van de getuige [getuige] en in de geneeskundige verklaring. Art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv noopte het hof niet tot een nadere motivering. [9]
21. Het middel faalt.
22. Ambtshalve merk ik nog het volgende op. De verdachte heeft op 20 maart 2012 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op het slagen van het tweede middel, kan het tijdsverloop bij de nieuwe behandeling van de zaak door het hof aan de orde worden gesteld. [10]
23. Het tweede middel slaagt. Het eerste en het derde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
24. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Op de terechtzitting in hoger beroep van 7 juni 2011 is zowel de verdachte als diens raadsvrouw verschenen. Naar aanleiding van een getuigenverzoek van de raadsvrouw is het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst.
2.Op de terechtzitting in hoger beroep van 21 februari 2012 is de verdachte zelf niet verschenen maar is wel een gemachtigde raadsman aanwezig. Op deze terechtzitting is de zaak inhoudelijk behandeld.
3.Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,
4.Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,
5.Pleitnotities in hoger beroep van 21 februari 2012, p. 2-6.
6.Vgl. HR 1 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT1780, rov. 2, HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6573, rov. 2, HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN8383,
7.Vgl. G.J.M. Corstens & M.J. Borgers,
8.Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge voor HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1890,
9.Vgl. HR 18 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3508 (art. 81 RO Pro, middel 2) en HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1493,
10.Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,