Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
8 juli 2014.
Hoge Raad
De Hoge Raad heeft op 8 juli 2014 uitspraak gedaan in een cassatiezaak waarin de verdachte beroep instelde tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. De zaak betrof een wijziging van de tenlastelegging (tll) op grond van artikel 313 Sv Pro, waarbij de oorspronkelijke tenlastelegging uitlokking van meineed door bedreiging op 15 augustus 2006 te Amsterdam betrof, en de wijziging uitlokking van dezelfde meineed door het verschaffen van gelegenheid, middelen en/of inlichtingen in de periode van 23 december 2005 tot en met 15 augustus 2006.
De verdediging stelde dat de wijziging een ander feit betrof dan het oorspronkelijke en dat de wijziging daarom niet toelaatbaar was. De Hoge Raad herhaalde het toetsingskader uit eerdere jurisprudentie en concludeerde dat, ondanks verschillen in tijd, plaats en aard van de gedragingen, het ging om uitlokking van dezelfde meineed en dat het verschil van beperkte betekenis was. Het hof had daarom terecht geoordeeld dat sprake bleef van hetzelfde feit in de zin van artikel 68 Sr Pro.
Daarnaast werd geklaagd over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase. De Hoge Raad erkende de overschrijding maar achtte gezien de opgelegde straf en de mate van overschrijding geen aanleiding om rechtsgevolgen te verbinden.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het arrest van het hof, waarmee de wijziging van de tenlastelegging en de veroordeling in stand bleven.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de wijziging van de tenlastelegging als hetzelfde feit.