In deze zaak is aan een vennootschap onder firma (vof) een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over de periode 2008-2010. Een van de vennoten, hier aangeduid als belanghebbende, maakte op eigen naam bezwaar tegen deze aanslag. De inspecteur weigerde dit bezwaar in behandeling te nemen omdat al een bezwaar namens de vof was ingediend. Belanghebbende stelde vervolgens beroep in tegen het niet tijdig doen van uitspraak op zijn bezwaar.
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat belanghebbende als privépersoon geen bezwaar kon maken tegen een aanslag die aan de vof was opgelegd. Het verzet tegen deze beslissing werd ongegrond verklaard. De Hoge Raad oordeelt echter dat ook in gevallen waarin een onbevoegde bezwaar maakt, het bestuursorgaan tijdig op dat bezwaar moet beslissen. Het beroep van belanghebbende tegen het niet tijdig doen van uitspraak had dus ontvankelijk moeten worden verklaard.
De Hoge Raad vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling en beslissing op het verzet, met inachtneming van zijn arrest. Tevens wordt bepaald dat de inspecteur binnen twee weken na de uitspraak alsnog een uitspraak op bezwaar moet doen. De Hoge Raad gelast ook vergoeding van het betaalde griffierecht aan belanghebbende.