ECLI:NL:RVS:2014:4551
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- A. Hammerstein
- J. Kramer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank over weigering handhaving tegen luchtvaartmaatschappij ArkeFly
Appellante verzocht de staatssecretaris om handhavend op te treden tegen luchtvaartmaatschappij ArkeFly wegens het niet betalen van compensatie volgens EU-verordening 261/2004. De staatssecretaris stelde het verzoek buiten behandeling omdat geen machtiging was overgelegd voor vertegenwoordiging door een gemachtigde. Appellante maakte bezwaar en stelde beroep in tegen de besluiten van de staatssecretaris.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond voor het besluit waarbij het bezwaar ongegrond werd verklaard en vernietigde dit besluit, met de opdracht aan de staatssecretaris een nieuw besluit te nemen. De rechtbank oordeelde echter dat de staatssecretaris geen dwangsom hoefde te betalen wegens het niet tijdig beslissen, omdat de ingebrekestellingen niet rechtsgeldig waren ingediend door een onbevoegde gemachtigde.
In hoger beroep richt appellante zich tegen het handhaven van de rechtsgevolgen van het besluit dat de dwangsom niet werd toegekend. De Afdeling overweegt dat het nemen van een dwangsombesluit geen beschikking op aanvraag is en dat de staatssecretaris daarom geen dwangsom verbeurt bij niet tijdig nemen van een dwangsombesluit. Ook bevestigt de Afdeling dat de ingebrekestellingen niet rechtsgeldig waren omdat geen machtiging was overgelegd.
Verder oordeelt de Afdeling dat het nieuwe besluit van de staatssecretaris van 22 maart 2013 inhoudelijk gelijk is aan een eerder besluit dat al onherroepelijk was, zodat toetsing door de bestuursrechter niet mogelijk is zonder nieuwe feiten of omstandigheden. Het beroep tegen dit besluit wordt daarom ongegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd voor zover aangevallen.
Uitkomst: De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep tegen het besluit van 22 maart 2013 ongegrond.