Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede en het derde middel
4.Beslissing
4 februari 2014.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond verdachte terecht voor oplichting waarbij hij een eigenaar van een winkel had bewogen tot het afgeven van 150 euro door middel van onware mededelingen en het afgeven van zijn rijbewijs als zekerheid.
Het hof had vastgesteld dat verdachte leugenachtige verklaringen had afgelegd en dat het slachtoffer door een samenweefsel van verdichtsels was bewogen tot het afgeven van het geldbedrag. Verdachte stelde in cassatie onder meer dat de bewezenverklaring onjuist was omdat hij niet had erkend een valse naam of hoedanigheid te hebben aangenomen.
De Hoge Raad constateerde dat deze onderdelen kennelijk ten onrechte in de bewezenverklaring waren opgenomen en herstelde deze misslag. Vervolgens oordeelde de Hoge Raad dat het oordeel van het hof over het samenweefsel van verdichtsels niet onbegrijpelijk was, mede gelet op de onjuiste mededelingen en het vertrouwenwekkende karakter van het afgeven van het rijbewijs.
Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor oplichting met samenweefsel van verdichtsels.