Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof in strijd met art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, inhoudende dat een aantal processen-verbaal van herkenning wegens gebrek aan objectiviteit en betrouwbaarheid van het bewijs dienen te worden uitgesloten, aangezien deze processen-verbaal woordelijk identiek zijn en waarschijnlijk van elkaar zijn gekopieerd.
tweede middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan art. 56 Sr Pro, althans dat het hof in strijd met art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inhoudende dat ten aanzien van de feiten 2 en 4 sprake is van een voortgezette handeling.
derde middelhoudt in dat het hof in strijd met art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ten aanzien van de strafoplegging.
vierde middelbehelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden nu de stukken meer dan 8 maanden na het instellen van het beroep in cassatie bij de Hoge Raad zijn binnengekomen.