Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
24 november 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin het hof de aan benadeelde partijen toegewezen schadevergoedingen vermeerderd met wettelijke rente heeft toegewezen. Verdachte betoogde dat het hof ten onrechte de wettelijke rente heeft toegewezen omdat niet kon worden vastgesteld of de benadeelde partijen deze rente hadden gevorderd.
Het hof had de schadevergoedingen aan de benadeelde partijen toegekend en deze bedragen vermeerderd met wettelijke rente vanaf 23 juni 2011 tot aan de dag van volledige voldoening. Tevens legde het hof aan verdachte een betalingsverplichting op aan de Staat ten behoeve van de slachtoffers, eveneens vermeerderd met wettelijke rente, met een hechtenisstraf als dwangmiddel bij niet-betaling.
De Hoge Raad overwoog dat het ontbreken van een vordering van wettelijke rente door de benadeelde partijen niet verhindert dat de strafrechter een schadevergoedingsmaatregel oplegt inclusief wettelijke rente. De wettelijke rente maakt onderdeel uit van het schadebedrag volgens het Burgerlijk Wetboek. Omdat de betalingsverplichting aan de Staat inclusief rente blijft bestaan, heeft verdachte geen voldoende belang bij zijn klacht over de rentevermeerdering van de vorderingen van de benadeelde partijen.
Daarom verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk. Verdere klachten van verdachte werden eveneens niet behandeld wegens gebrek aan belang of omdat ze niet tot cassatie konden leiden.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan voldoende belang bij de klacht over de wettelijke rente.