Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 24 april 2013, nr. BK-11/00862, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Belanghebbende kocht in 2002 een perceel met een boerderij en financierde dit met een hypothecaire lening waarvan de rente in 2002 en 2003 werd afgetrokken. Na plannen voor renovatie besloot hij de boerderij te slopen en een nieuwe woning te bouwen. Bouwvergunningen werden in 2007 en 2008 verleend, en de feitelijke bouw begon in 2008. De Inspecteur weigerde de aftrek van hypotheekrente over 2007 omdat er volgens hem nog geen woning in aanbouw was.
Het Hof bevestigde dit oordeel en stelde dat er in 2007 nog geen feitelijke bouwactiviteiten waren gestart die duidden op een woning in aanbouw. De Hoge Raad bevestigt deze uitleg en verduidelijkt dat het begrip 'woning in aanbouw' in artikel 3.111, lid 3, Wet IB 2001 moet worden uitgelegd conform het spraakgebruik: pas vanaf aanvang van feitelijke bouwwerkzaamheden.
De Hoge Raad wijst erop dat de wetgever met deze bepaling niet beoogde de aankoop van onbebouwde grond met intentie tot woningbouw te faciliteren vóór de start van de bouw. Ook het verkrijgen van bouwvergunningen of voorbereidingen vormen geen aanvang van een woning in aanbouw. Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard; de rente over de lening is in 2007 niet aftrekbaar als eigenwoningrente omdat nog geen woning in aanbouw was.