ECLI:NL:GHAMS:2018:1420
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over kwalificatie van twee naast elkaar gelegen appartementen als één eigen woning voor inkomstenbelasting
Belanghebbende was eigenaar van twee naast elkaar gelegen appartementen die zij samen met haar gezin bewoonde. Zij voerde aan dat deze appartementen als één eigen woning konden worden aangemerkt voor de inkomstenbelasting 2011, mede vanwege plannen om een doorgang tussen de appartementen te realiseren.
De inspecteur had echter slechts één appartement als eigen woning aangemerkt. Zowel de rechtbank als het hof oordeelden dat de appartementen bouwkundig en functioneel zelfstandige woningen zijn met eigen ingangen en voorzieningen, en dat er geen sprake was van één woning in de zin van artikel 3.111, lid 1, Wet IB 2001.
Belanghebbende stelde ook dat het vertrouwensbeginsel en het begrip woning in aanbouw van toepassing waren, en dat de heffing in strijd was met het Eerste Protocol bij het EVRM. Deze beroepen werden verworpen omdat er onvoldoende feiten waren om het vertrouwen te beschermen, geen sprake was van een woning in aanbouw en de belastingheffing niet disproportioneel was.
De inspecteur was niet verplicht om de situatie ter plaatse te bekijken, omdat het geschil een juridische kwalificatie betrof. Het hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat de twee appartementen niet als één eigen woning worden aangemerkt.