Uitspraak
[X-Y]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Arnhemvan 9 oktober 2012, nr. 12/00179, betreffende een aanslag in het recht van schenking.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Belanghebbende en haar echtgenoot sloten in 1999 een gebruiksovereenkomst met hun zoon, waarbij een schenking werd gedaan die niet was aangegeven. In 2004 legde de Inspecteur een gezamenlijke aanslag schenkingsrecht op aan belanghebbende en echtgenoot. Deze aanslag werd in cassatie vernietigd omdat aanslagen aan gezamenlijke verkrijgers niet zijn toegestaan.
Vervolgens legde de Inspecteur in 2011 afzonderlijke aanslagen op aan belanghebbende en haar echtgenoot. Het Hof bevestigde dat deze aanslagen bevoegd waren opgelegd, omdat de eerste aanslag onjuist was gericht aan een groep. Tevens oordeelde het Hof dat de termijn voor het opleggen van aanslagen pas begint na inschrijving van overlijden in de registers van de burgerlijke stand, conform artikel 66 SW Pro 1956.
De Hoge Raad verwierp de cassatiemiddelen die stelden dat sprake zou zijn van een dubbele aanslag en dat de vervaltermijn eerder zou moeten ingaan. De Hoge Raad bevestigde dat de wetgever binnen zijn beoordelingsmarge is gebleven en dat geen strijd bestaat met discriminatieverboden. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de bevoegdheid van de inspecteur tot het opleggen van afzonderlijke aanslagen na vernietiging van een gezamenlijke aanslag.