Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
18 februari 2014.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof veroordeeld voor het opzettelijk telen en aanwezig hebben van hennepplanten in een pand te Alphen aan den Rijn in 2007. Het bewijs bestond onder meer uit getuigenverklaringen van twee getuigen die de betrokkenheid van verdachte bij de hennepkwekerij bevestigden. De verdediging voerde aan dat deze verklaringen onbetrouwbaar en tegenstrijdig waren, onder andere vanwege afwijkende signalementen en inconsistenties in de verklaringen van een getuige.
Het hof oordeelde echter dat de verklaringen onder ede waren afgelegd in aanwezigheid van de verdachte en zijn raadsvrouw en dat de verklaringen van de verdachte zelf ongeloofwaardig waren. Het hof hechtte daarom waarde aan de getuigenverklaringen en verwierp het verweer van de verdediging. De Hoge Raad toetste de motivering van het hof en concludeerde dat het hof binnen zijn beoordelingsvrijheid voldoende redenen had gegeven om de verklaringen als betrouwbaar te beschouwen.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het arrest van het hof. Dit arrest onderstreept de ruime beoordelingsvrijheid van de feitenrechter bij de waardering van bewijs, ook wanneer sprake is van tegenstrijdigheden in getuigenverklaringen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.