Conclusie
4.Het eerste middel
tot1 oktober 2010 slechts gevraagd hoefde te worden naar naam en voornamen, geboortedatum, woon- of verblijfplaats en zijn beroep.
5.Het tweede middel
- [slachtoffer] hebben gedwongen in zijn, [slachtoffer]'s, auto plaats te nemen achter het stuur en
- als passagiers in de auto hebben plaatsgenomen en
- een vuurwapen aan [slachtoffer] hebben getoond en
- een vuurwapen hebben doorgeladen en
- [slachtoffer] hebben gedwongen naar Barendrecht en Rotterdam te rijden en
- [slachtoffer] dreigend hebben toegevoegd: "portemonnee" en "telefoon" en "pinnen, pinnen" en "rijden, rijden"; en
hij in de periode van 03 februari 2009 tot en met 04 februari 2009 te Breda en/of Barendrecht en/of Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders) met dat opzet:
- tegen de wil van [slachtoffer] als passagiers plaatsgenomen in die auto van [slachtoffer] en
- [slachtoffer] onder bedreiging van een vuurwapen gedwongen naar en door Barendrecht en naar en door Rotterdam te rijden.”
Met de verdediging gaat het hof voor de vaststelling van de feiten uit van de lezing van het slachtoffer [slachtoffer], zoals die blijkt uit de aangifte. [slachtoffer] is bij een tankstation in Breda door 3 personen - 1 blanke man en 2 negroïde mannen - gedwongen om in zijn auto te stappen. De blanke man nam voorin op de passagiersstoel plaats, de negroïde personen stapten achterin. Onder bedreiging van een vuurwapen, dat op de schoot van de blanke man met de loop gericht op [slachtoffer] lag, werd hij gedwongen om via de Al6 richting Rotterdam te rijden. De route voerde vervolgens langs Barendrecht, waar [slachtoffer] werd gedwongen om te pinnen. Daarop werd de route vervolgd richting Rotterdam, waar één van de negroïde mannen uitstapte en even later terugkwam met vier flesjes AA-drink. Nadat de route werd vervolgd naar Lombardijen, is de blanke man even weg geweest. De negroïde mannen achterin de auto hebben op dat moment het wapen van de blanke overgenomen. Na terugkomst van de blanke man, heeft één van negroïde mannen de auto verlaten en is niet meer teruggekeerd. Daarna is [slachtoffer] gedwongen naar Barendrecht terug te rijden en heeft hij wederom moeten pinnen. Ten slotte is hij opnieuw gedwongen naar Rotterdam (IJsselmonde) te rijden, alwaar hij voor een derde keer heeft moeten pinnen. De blanke man heeft [slachtoffer], voor hij in de buurt van het Zuider-ziekenhuis in Rotterdam na ruim 2,5 uur werd vrij gelaten, nog gevraagd om zijn persoonsgegevens.
Het hof stelt vast dat vorenstaande lezing van [slachtoffer] voor wat betreft de feitelijkheden op essentiële (detail)onderdelen wordt ondersteund door de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Zo bevestigt medeverdachte [medeverdachte 1] in grote lijnen de gereden route, verklaart hij dat hij in Rotterdam voor vier personen een flesje AA-drink heeft gekocht en dat het slachtoffer drie keer heeft moeten pinnen. Daarnaast verklaart [medeverdachte 1] overeenkomstig de aangifte dat de blanke man de auto in Rotterdam even heeft verlaten, dat de blanke man het wapen tijdelijk aan [medeverdachte 2], alias mededader [medeverdachte 2], heeft overhandigd en dat [medeverdachte 2] na terugkomst van de blanke man in Rotterdam is uitgestapt en niet meer is teruggekeerd. [medeverdachte 1] heeft bovendien verklaard over de aanwezigheid van het vuurwapen op de schoot van de blanke man voorin de auto met de loop gericht op het slachtoffer en over het vragen van de blanke man naar de papieren van het slachtoffer voor zij hem in vrijheid lieten. Mededader [medeverdachte 2] verklaart dat de blanke man (die hij kent als [verdachte]) een pistool had, dat dat pistool op de benen van [verdachte] lag met de loop gericht op de bestuurder, dat hij het pistool van [verdachte] heeft overgenomen op het moment dat [verdachte] de auto tijdelijk verliet, dat hij het pistool op het slachtoffer heeft gericht omdat dat van [verdachte] moest maar dat het kan zijn dat het slachtoffer het pistool tegen zijn rug heeft gevoeld. Daarnaast verklaart hij, evenals [medeverdachte 1], dat er AA-drink in de auto is gedronken. Bovendien weet [medeverdachte 2] te vertellen dat de vrouw van het slachtoffer in verwachting was, hetgeen naar het oordeel van het hof duidt op gedetailleerde daderwetenschap. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] verklaren beiden over hoe zij in Breda terecht zijn gekomen: ze werden door een vriend van [medeverdachte 1], die volgens [medeverdachte 1] [betrokkene] heet, naar Breda gebracht. Aldaar ontstond er onenigheid en werden [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en de verdachte zonder vervoer door [betrokkene] achtergelaten. Daarop zijn ze gedrieën gaan lopen en bij het benzinestation uitgekomen. De verklaringen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] worden op technisch niveau ondersteund door het door het NFI uitgevoerde sporenonderzoek naar de in de auto aangetroffen flesjes AA-drink. In de auto van het slachtoffer werden drie flesjes aangetroffen: één in het portier van de bestuurder en twee op de achterbank. Dit sluit aan bij de verklaring van [slachtoffer] dat hij zijn flesje in het portiervak had gezet en van [medeverdachte 1] dat de derde dader, die op de passagiersstoel voorin zat, zijn flesje uit het raam heeft gegooid. Op één van de flesjes is DNA-celmateriaal aangetroffen dat matcht met een eerder afgenomen DNA-profiel van [medeverdachte 2]. Dat de verdachte bij de ten laste gelegde feiten betrokken is geweest, baseert het hof op de verklaring van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], die hebben verklaard dat de feiten zijn gepleegd door henzelf, en door [verdachte]. [verdachte] is volgens [medeverdachte 1] de alias van de verdachte [verdachte]. Dat '[verdachte] inderdaad de alias van verdachte [verdachte] is, vindt naar het oordeel van het hof steun in de 'nicknames' waarmee de verdachte zich heeft geprofileerd op hyves en in het feit dat zijn contactgegevens zowel in de telefoon van [medeverdachte 1] als in de telefoon van [medeverdachte 2] onder die naam zijn opgeslagen, alsmede in het feit dat [getuige] verdachte [verdachte] als zodanig herkend heeft ter terechtzitting in hoger beroep. Het oordeel dat de verdachte bij de ten laste gelegde feiten betrokken is geweest, grondt het hof voorts op de verklaring van getuige [getuige]. Zij heeft zoals de verdediging heeft aangevoerd weliswaar 'de auditu' geschetst hoe de verdachte [verdachte] bij de afpersing en vrijheidsberoving van [slachtoffer] betrokken zou zijn geweest, maar deze betrokkenheid, die zij zelf uit de mond van verdachte [verdachte] heeft vernomen, omvat zogenaamde daderkennis van [verdachte], waarvan het hof geen enkele aanwijzing heeft dat die kennis door hem was verworven, anders dan door zijn eigen deelname aan het tenlastegelegde feit. Toen [getuige] bij haar toenmalige vriend en mededader Dennis [medeverdachte 2] op bezoek was in het revalidatiecentrum, heeft zij uit de mond van verdachte [verdachte] (die zij ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangewezen als de [verdachte] die zij in het revalidatiecentrum het verhaal over de ten laste gelegde feiten heeft horen vertellen) zelf gehoord dat hij samen met [medeverdachte 2] (alias [medeverdachte 2]) en [medeverdachte 1] (alias [medeverdachte 1]) een man heeft afgeperst door met het slachtoffer, onder dreiging van een vuurwapen, naar Rotterdam te rijden en hem overal te laten pinnen. Getuige [getuige] heeft bovendien op detailniveau verklaard, in die zin dat zij van verdachte [verdachte] heeft gehoord dat de vrouw van het slachtoffer in verwachting was. Door de verdachte is ontkend dat hij zo'n lezing van het tenlastegelegde feit tegenover [getuige] heeft gegeven, onder meer door in zijn politieverklaring aan te geven dat hij zich niet voor de geest kan halen wie die [getuige] is, dat zij liegt en dat hij alleen in het revalidatiecentrum is geweest om sigaretten te brengen op verzoek van een ander. Deze verklaring van de verdachte acht het hof ongeloofwaardig. Hierbij wijst het hof nog op het feit dat verdachte ook ruimer bekend was met de medeverdachten dan hij wil doen voorkomen, hetgeen naar het oordeel van het hof onder meer blijkt uit de aanwezigheid van het telefoonnummer van de verdachte in de contacten lijst van de telefoon van mededader [medeverdachte 2] en uit de connectie tussen de verdachte enerzijds en [medeverdachte 2] anderzijds zoals die op hyves.nl werd aangetroffen en uit het feit dat de verdachte in januari 2009 tezamen met medeverdachte [medeverdachte 1] is aangetroffen in een auto ter gelegenheid van een politiecontrole.
Anders dan door de verdediging betoogd, is de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige [getuige], [medeverdachte 2] en medeverdachte [medeverdachte 1], voor zover laatstgenoemden die bij de politie hebben afgelegd, naar het oordeel van het hof niet in het geding, nu deze in de kern gelijk zijn en de door hen geschetste feitelijke gang van zaken overeenkomt met de bovenomschreven verklaring van het slachtoffer. [getuige] heeft ter terechtzitting in hoger beroep als getuige onder ede bevestigd dat zij bij de politie naar waarheid heeft verklaard. Dat wat [getuige] verklaart is weliswaar, zoals de verdediging aanvoert 'de auditu', maar haar herkenning van [verdachte] als degene die haar dit heeft verteld is een verklaring uit eigen wetenschap en staat tegenover de ontkenning van de verdachte dat hij dit toen daar in aanwezigheid van [getuige] heeft verteld. Ten aanzien van de verklaring van [medeverdachte 2] merkt het hof in het bijzonder nog op dat [medeverdachte 2] weliswaar gezondheidsschade heeft opgelopen tengevolge van een ongeval dat na de onderhavige gebeurtenissen heeft plaatsgevonden, maar dat evenwel niet gezegd kan worden dat zijn verklaring daarmee onbetrouwbaar is. Het hof betrekt daarbij met name de opmerking van de verbalisant [verbalisant] op dossierpagina 231 dat tijdens de verhoren is gebleken dat als [medeverdachte 2] de tijd nam om na te denken, hij over sommige zaken zeer gedetailleerd wist te verklaren, hetgeen naar het oordeel van het hof bevestiging vindt in de inhoud van de betreffende verklaringen.”