Uitspraak
wonende te [woonplaats],
1. Het geding in feitelijke instanties
2. Het geding in cassatie
3 Beoordeling van het middel
1.Schuldbekentenis
2.Rente
Opeisbaarheid
6.Beslagleggingen
1.Borgstelling
4.Overige bepalingen
21 maart 2014.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal de borgtochtovereenkomst tussen de curator in faillissementen en de echtgenote van de debiteur, waarbij de curator een vordering had op de debiteur die borg stond. De curator had een vaststellingsovereenkomst gesloten met de debiteur en borgstellingsovereenkomst met de echtgenote, waarin zij zich borg stelde voor de schuld van haar echtgenoot.
De curator vorderde betaling van de hoofdsom wegens niet-nakoming van de vaststellingsovereenkomst. De rechtbank wees de vordering toe, maar het hof vernietigde het vonnis voor zover het de borg betrof, omdat de borg zich op dwaling beriep. Het hof stelde dat de curator alleen een beroep kon doen op gerechtvaardigd vertrouwen als de borg was voorgelicht over de risico’s van de borgtocht of zich daarvan bewust was.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onjuiste rechtsopvattingen had gehanteerd door de curator dezelfde zorgplicht toe te kennen als een professionele kredietverstrekker, terwijl de curator handelde in het kader van faillissementsbeheer. De zaak werd vernietigd en verwezen naar het hof Den Haag voor verdere behandeling. De Hoge Raad benadrukte dat de curator geen bijzondere zorgplicht had zoals een bank, en dat het hof onvoldoende had gemotiveerd welke risico’s bedoeld werden.
De uitspraak verduidelijkt de grenzen van de zorgplicht van curatoren bij borgtochten en bevestigt dat de bescherming van particuliere borgen niet zonder meer op curatoren van toepassing is zoals bij banken.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het hof Den Haag voor verdere behandeling wegens onjuiste rechtsopvatting over de zorgplicht van de curator bij borgstelling.