Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Slotsom
4.Beslissing
25 maart 2014.
Hoge Raad
In deze zaak stond een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal. De betrokkene was in hoger beroep verschenen, maar het hof oordeelde dat de oproeping rechtsgeldig was betekend op een adres vermeld in de strafrechtsketendatabank (SKDB).
De Hoge Raad stelde vast dat het hof zijn oordeel baseerde op een onjuiste feitelijke grondslag, omdat de inschrijving in de basisadministratie persoonsgegevens (GBA) niet overeenkwam met de vermelding in de ID-staat SKDB. Een officieel uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie van Den Haag toonde aan dat de betrokkene op een ander adres stond ingeschreven dan het adres waarop de oproeping was aangeboden.
De raadsman van de betrokkene had verklaard geen contact te hebben kunnen krijgen met zijn cliënt en dat de betrokkene niet meer stond ingeschreven op het laatst bekende adres. De Hoge Raad concludeerde dat er een ernstig vermoeden bestond dat de oproeping niet rechtsgeldig was betekend en verklaarde de oproeping nietig. Hierdoor kon het arrest van het hof niet in stand blijven en werd het vernietigd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verklaart de oproeping in hoger beroep nietig.