Conclusie
eerste middelkomt op tegen het oordeel van het hof dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend.
- De appelakte van 20 maart 2012 waarin als adres van de verdachte is opgeven: [a-straat 1] te [plaats];
- Een akte van uitreiking – gehecht aan het dubbel van de dagvaarding om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep van 18 september 2013 – die inhoudt dat die dagvaarding op 10 juli 2013 is aangeboden op het adres [b-straat 1] te [plaats], maar dat deze niet is uitgereikt omdat de in de adressering aangeven woning niet bestaat, alsmede dat deze dagvaarding op 15 juli 2013 is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank en op 15 juli 2013 als gewone brief is verzonden naar het adres [b-straat 1] te [plaats];
- Een akte van uitreiking – gehecht aan het dubbel van de dagvaarding om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep van 18 september 2013 – die inhoudt dat die dagvaarding op 12 juli 2013 is aangeboden op het adres [a-straat 1] te [plaats], maar dat deze niet is uitgereikt omdat volgens mededeling van degene die zich op dat adres bevond, de geadresseerde daar niet woont noch verblijft, alsmede dat deze dagvaarding op 16 juli 2013 is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank en op 16 juli 2013 als gewone brief is verzonden naar het adres [a-straat 1] te [plaats];
- Een akte van uitreiking – gehecht aan het dubbel van de dagvaarding om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep van 18 september 2013 – die inhoudt dat deze op 28 augustus 2013 aan de griffier van de rechtbank is uitgereikt, omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is;
- ID-staten SKDB van 8 juli 2013, 27 augustus 2013 en 17 september 2013 alle inhoudende dat er geen huidig GBA-adres van de verdachte beschikbaar is en dat de laatst opgegeven woon- of verblijfplaats van de verdachte de [b-straat 1] te [plaats] betreft.
tweede middel, dat in de kern klaagt dat art. 51 Sv Pro niet is nageleefd, faalt. Uit de stukken blijkt niet dat zich in hoger beroep een raadsman heeft gesteld conform art. 39, eerste lid Sv. Deze zogenaamde stelbrief geldt voor één aanleg. [2] De ratio van de regeling is dat de bevoegde autoriteiten op de hoogte worden gesteld van het feit dat er een raadsman voor verdachte optreedt, zodat deze ook als zodanig wordt behandeld en erkend. Weliswaar is een stelbrief geen voorwaarde om als raadsman op te treden en kan ook uit enig ander stuk in het dossier blijken dat de verdachte is voorzien van rechtsbijstand, de appelakte waarin staat vermeld dat namens de verdachte door een advocaat het rechtsmiddel is aangewend, is, anders dan de steller van het middel meent, niet aan te merken als een dergelijk stuk. De advocaat die het rechtsmiddel instelt hoeft immers niet de raadsman te zijn die de verdachte ook daarna zal bijstaan. [3] In het middel wordt niet gesteld dat er zich nog een ander stuk in het dossier zou bevinden, waaruit het hof had moeten opmaken dat verdachte in hoger beroep door een raadsman werd bijgestaan.