Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
8 april 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die op 28 mei 2011 te 's-Gravenhage werd aangehouden wegens het niet meewerken aan een ademonderzoek na een vordering daartoe door een opsporingsambtenaar. De verdachte begon wel aan de blaastest maar staakte zijn medewerking omdat hij eerst een verklaring wilde afleggen. Hierdoor werd het ademonderzoek niet voltooid.
Het hof stelde vast dat de verdachte niet voldeed aan de verplichting tot medewerking zoals bedoeld in artikel 8, tweede lid, Wegenverkeerswet 1994. De verdachte kon zich niet beroepen op het niet naleven van de formele waarborgen uit het Besluit alcoholonderzoeken, zoals de termijn van twintig minuten of de bevoegdheid van de bediener van het apparaat, omdat deze omstandigheden niet waren aangevoerd of bewezen.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en verwierp het cassatiemiddel. De Hoge Raad benadrukte dat weigering tot medewerking na aanvang van het onderzoek, zonder bijzondere omstandigheden, niet kan leiden tot vrijspraak of strafmatiging. De zaak werd daarmee definitief beslist met verwerping van het beroep.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling wegens weigering mee te werken aan het ademonderzoek.