Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
21 april 2015.
Hoge Raad
In deze zaak betrof het een klaagschrift tegen de inbeslagname van geheimhoudersstukken van een advocaat in een strafrechtelijk onderzoek naar witwassen. De rechtbank had het klaagschrift ongegrond verklaard en geoordeeld dat de stukken voorwerp waren van het strafbare feit of daartoe hadden gediend, en dat het belang van waarheidsvinding zwaarder woog dan het verschoningsrecht.
De advocaat stelde dat het verschoningsrecht zwaarwegend is en slechts in uitzonderlijke, zwaar gemotiveerde gevallen kan worden doorbroken. De rechter-commissaris had geconcludeerd dat de stukken voorwerp waren van strafbare feiten, maar zonder nadere motivering. De Hoge Raad herhaalt dat bij doorbreking van het verschoningsrecht strenge motiveringseisen gelden, waaronder het ontbreken van verdenking tegen de verschoningsgerechtigde en de mogelijkheid om gegevens op andere wijze te verkrijgen.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de stukken niet onder het verschoningsrecht vallen en waarom het belang van waarheidsvinding zwaarder weegt. Daarom vernietigt de Hoge Raad de beschikking en verwijst de zaak terug voor herbehandeling op het bestaande klaagschrift.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak terug voor herbehandeling wegens onvoldoende motivering omtrent het doorbreken van het verschoningsrecht.