Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
21 april 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd bewezenverklaard dat hij onvoldoende zorg droeg voor het onschadelijk houden van twee gevaarlijke honden, een pitbull en een rottweiler, die een persoon hebben aangevallen.
Het hof stelde vast dat verdachte eigenaar was van de honden, die onaangelijnd en ongemuilkorfd op straat liepen en het slachtoffer meerdere malen hadden gebeten. Hoewel de honden feitelijk bij de broers van verdachte verbleven en verdachte niet aanwezig was tijdens het incident, achtte het hof hem toch degene die onder wiens hoede de dieren stonden, omdat de zeggenschap en zorgplicht bij hem als eigenaar berustte.
De Hoge Raad bevestigt deze uitleg van het begrip "onder zijn hoede" zoals bedoeld in art. 425 Sr Pro en oordeelt dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven. De klacht van verdachte dat het hof te ruim heeft geoordeeld, faalt. De zaak wordt verwezen naar de rolzitting voor verdere behandeling van overige klachten.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de eigenaar van gevaarlijke honden de zorgplicht draagt, ook als het feitelijk toezicht bij anderen ligt, en verwijst de zaak voor verdere behandeling.