ECLI:NL:PHR:2021:547

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 juni 2021
Publicatiedatum
2 juni 2021
Zaaknummer
19/00336
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 425 SrArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onjuiste bewezenverklaring gevaarlijk dier en hoede in bijtincident pitbullachtige honden

De verdachte werd door het hof veroordeeld wegens het niet voldoende zorgdragen voor het onschadelijk houden van twee pitbullachtige honden die op 2 oktober 2016 meerdere honden aanvielen en één daarvan doodbeten. Het hof baseerde zijn oordeel op verklaringen, processen-verbaal en medische rapporten over de bijtincidenten. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen de bewezenverklaring en de toewijzing van schadevergoeding.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte heeft bewezen verklaard dat de verdachte ook verantwoordelijk was voor de witte Engelse staffordshire terriër ([hond 2]) omdat uit de bewijsvoering niet blijkt dat deze hond onder de hoede van de verdachte stond. De verdachte was eigenaar van de bruine Engelse staffordshire terriër ([hond 1]), maar niet van de witte hond. Het hof heeft dit oordeel niet voldoende gemotiveerd en dit deel van de bewezenverklaring is onbegrijpelijk.

Verder is het hof uitgegaan van het ras Amerikaanse staffordshire terriër in plaats van Engelse staffordshire terriër, wat onjuist is en niet als grondslag kan dienen voor de kwalificatie als gevaarlijk dier. De Hoge Raad stelt dat een gevaarlijk dier ook een exemplaar kan zijn van een in het algemeen niet gevaarlijke soort, maar het hof heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd om [hond 1] als gevaarlijk te kwalificeren voorafgaand aan de incidenten.

De Hoge Raad concludeert dat het arrest vernietigd moet worden en de zaak terugverwezen naar het hof voor een nieuwe beoordeling, waarbij onder meer de vraag van het onder hoede staan van de honden en de tijdstippen van de incidenten nader onderzocht moeten worden. De redelijke termijn is overschreden, maar dit leidt niet tot rechtsgevolgen gezien de opgelegde straf.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling wegens onjuiste bewezenverklaring en onjuiste rechtsopvatting over het onder hoede staan van één hond.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer19/00336
Zitting22 juni 2021
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.

Inleiding

De verdachte is bij arrest van 21 januari 2019 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “geen voldoende zorg dragen voor het onschadelijk houden van een onder zijn hoede staand gevaarlijk dier” veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 250,00, subsidiair vijf dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het hof de teruggave gelast van de in beslag genomen hond [hond 1] . Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld.
Namens de verdachte heeft mr. J. Biemond, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel

3. Het eerste middel klaagt dat het hof in weerwil van een gevoerd verweer het tenlastegelegde feit heeft bewezenverklaard en daarbij heeft overwogen dat het aan de schuld van de verdachte te wijten is dat zijn hond [hond 1] en de hond [hond 2] de andere honden hebben gebeten.
4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 2 oktober 2016 te Helmond geen voldoende zorg heeft gedragen voor het onschadelijk houden van een onder zijn hoede staand gevaarlijk dier, te weten de pitbull/Engelse Staffordshire honden (genaamd [hond 1] en [hond 2] ), immers hebben voornoemde honden:
- op of aan het [a-straat] , twee honden toebehorende aan [betrokkene 1] aangevallen en meermalen met kracht gebeten en één van die honden doodgebeten,
en
- op of aan het [c-straat] , twee honden toebehorende aan [betrokkene 2] aangevallen en meermalen met kracht gebeten,
terwijl verdachte voornoemde hond(en) onaangelijnd op de openbare weg(en) heeft laten verblijven.”
5. Het hof heeft de bewezenverklaring doen steunen op de volgende bewijsmiddelen:

Bewijsmiddelen
Alle hierna te noemen processen-verbaal, opgenomen in het niet doorgenummerde dossier van de politie Eenheid Oost-Brabant, proces-verbaalnummer PL2100-2016220128, afgesloten d.d. 13 november 2016, zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.
1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 4 oktober 2016, voor zover inhoudende als
verklaring van aangever [betrokkene 1], afgelegd op 2 oktober 2016:
Plaats delict: [a-straat 1] HelmondPleegdatum/tijd: Op 2 oktober 2016 te 16:20 uur
Ik wens aangifte te doen van het doodbijten van een hondje van mij door een tweetal pitbullachtige honden op 2 oktober 2016. Ik wil aangifte doen van vernieling en het feit dat de eigenaar/eigenaresse van de honden zodanig nalatig is geweest bij het onder controle houden van deze honden dat dit heeft kunnen gebeuren. (...)
Op 2 oktober 2016, omstreeks 15:30 uur, ben ik met mijn twee hondjes, beiden van het ras Yorkshire-terrier, gaan wandelen in de omgeving van mijn woning aan het [b-straat] in Helmond. (...) Ik had mijn beide honden aangelijnd toen ik ze uitliet. (...) Toen ik ter hoogte was van de westelijke huizen aan het [a-straat] en ik naast een halfhoge heg liep, hoorde ik een vreemd geluid achter mij. Toen ik omkeek waar dit geluid vandaan kwam, zag ik dat er twee honden mij hard rennend van achteren naderden.
Voordat ik mij goed en wel realiseerde wat er gebeurde, zag ik dat beide aanstormende honden meteen een van mijn twee hondjes aanvielen en begonnen te bijten. (...) Ik zag dat mijn ene Yorkshire Terrier, genaamd [hond 3] , geen schijn van kans had tegen de twee honden die van pitbullachtige soort waren. De ene aanvallende hond was bruin van kleur en de andere wit. Ik zag dat beide honden mijn hondje [hond 3] heftig beten. (...) Ik hoorde mijn hondje [hond 3] piepen van angst en ik zag dat hij begon te bloeden, kennelijk als gevolg van het bijten door de 2 pitbullachtigen. Ik zag dat de beide aanvallende honden allesbehalve vriendelijk waren en erg agressief overkwamen.
(...) Ik zag verder dat deze bruine hond op een gegeven moment terugging naar mijn hondje [hond 3] die inmiddels levenloos op de grond lag. Ik zag dat zowel de bruine als de witte pitbullachtige hond het levenloze lichaam van mijn hondje [hond 3] heen en weer begon te slingeren als een trofee. Dat deden ze alle twee. Volgens mij was [hond 3] toen al dood of is toen doodgegaan.
(...) Ik zag hierbij dat de witte pitbullachtige hond onder het bloed zat, mogelijk de 2e, bruine, hond ook, maar dat kon ik niet goed zien vanwege zijn kleur. (...)
2. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 9 oktober 2016, voor zover inhoudende
als verklaring van aangever [betrokkene 2], afgelegd op 2 september 2016 [het hof begrijpt: 2 oktober 2016]:
Plaats delict: [c-straat 1] HelmondPleegdatum/tijd: Op 2 oktober 2016 te 22:30 uur
Ik wens aangifte te doen van vernieling van mijn hond, dan wel het niet onder controle hebben door de eigenaar/eigenaresse van gevaarlijke honden. (...)
Op 2 oktober 2016 ging ik omstreeks 16:30 uur mijn beide honden uitlaten in de omgeving van mijn woning aan het [d-straat] in Helmond. (...) Ik had mijn beide honden aangelijnd, ieder aan een eigen lijn. (...) Toen ik op het [c-straat] liep, zag ik twee mensen op de fiets aankomen. Ik zag dat naast of schuin achter deze 2 fietsers twee loslopende honden liepen. (...) Ik zag toen ook dat de 2 honden pitbullachtigen waren. Ik zag dat het een witte en een bruine hond betrof. In een flits dacht ik nog: wat doen die honden los? (...)
Meteen daarop zag ik dat die twee pitbullachtigen honden dreigend bij mij en mijn honden in de buurt kwamen. Ze kwamen meteen samen op mijn honden afgelopen en doken meteen samen op mijn kleinste hondje, genaamd ‘ [hond 4] ’. Ik zag dat mijn kleinste hondje meteen werd gebeten in zijn voorpoten, en in zijn rug. (...) Ik zag toen dat de 2 pitbullachtigen zich op mijn 2e hond, genaamd ‘ [hond 5] ’ stortten en hem ook beten in oor en staart. Beide pitbullachtigen vielen samen tegelijk aan en beten tegelijk op mijn honden in. (...)
(...) Toen ik bij mijn woning kwam, zag ik dat ik daar opgewacht werd door mijn man. Ik hoorde van hem dat hij toen ik weg was bezig was gegaan met het uitladen van onze auto toen hij zag dat ons hondje ‘ [hond 4] ’ alleen en in paniek aangerend kwam. Mijn man zag dat onze hond zijn poot kapot had en stevig bloedde. (...)
Wij hebben toen thuis de dierenarts gebeld omdat alle twee onze honden dus bijtwonden hadden als gevolg van de aanvallen van de witte en de bruine pitbullachtige. (...) Volgens de dierenarts had [hond 4] een beet tussen de nagels van een voorpoot en een schampbeet op zijn rug. (...) De bijtwonden van onze andere hond ‘ [hond 5] ’ waren wat oppervlakkig van aard en behoefden geen behandeling. (...)
3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 oktober 2016, voor zover inhoudende als
relaas verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]:
Wij hoorden dat [verdachte] , de vriend van [betrokkene 3] , ter plaatse tegen ons zei dat ze met de bruine hond ‘hun hond', naar de ouders van zijn vriendin waren geweest, dat ze juist naar huis wilden gaan, naar de auto wilden lopen en daarbij de poort/deur open hadden laten staan waarna hun hond en de witte hond van [betrokkene 4] ervandoor waren gegaan.
4. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 13 oktober 2016 voor zover inhoudende als
verklaring van verdachte [betrokkene 3], afgelegd 13 oktober 2016:
Als ik het heb over mijn hond dan bedoel ik mijn hond [hond 1] . Dat is een bruine reu van het ras Engelse Stafford. (...) [hond 1] is overwegend bruin van kleur en heeft een witte vlek op de borst. (...)
Mijn vriend [verdachte] heeft in de gang van de ouderlijke woning van mij onze hond dus de riem aangedaan en hij heeft daarbij over het hoofd gezien dat in de gang nog een andere hond was. Dat was de witte stafford [hond 2] . Toen mijn vriend de voordeur openmaakte is de witte [hond 2] meteen naar buiten gegaan. Ze was niet aangelijnd. Mijn vriend is daar zoals hij zei erg van geschrokken en heeft ook onze aangelijnde hond [hond 1] laten schieten. Beide honden kwamen dus los buiten te lopen. (...)
(...) Ik begreep dat [hond 2] onder het bloed had gezeten en dat men haar in het water van de Berkendonk wat had afgespoeld. Ik zag nog wel dat zij wat bloed aan de poten had. (...)
5. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 13 oktober 2016 voor zover inhoudende
als verklaring van de verdachte, afgelegd 13 oktober 2016:
Ik zal u vertellen wat er 2 oktober 2016 is gebeurd. Ik was op het [e-straat] , samen met [betrokkene 3] . We stonden rond 16.30-17.00 uur op het punt om vandaar naar huis te gaan, naar de [f-straat] in Helmond.
Om te gaan, heb ik de riem gepakt om de hond [hond 1] aan te lijnen. Ik deed dat in de gang. Ik moet erbij vertellen dat [hond 1] onze hond is. [hond 1] is een bruine Engelse stafford reu. (...)
Toen ik dus die 2 oktober 2016 [hond 1] in de gang van de woning [e-straat 1] aangelijnd had, zag ik over het hoofd dat een andere hond van de familie [van betrokkene 3] , genaamd [hond 2] , ook de gang in kwam. Direct toen ik de voordeur opende en [hond 1] dus met 1 hand aan de riem vast had, zag ik in een flits iets wits achter mij doorschieten naar buiten. Ik zag dat dit de witte Engelse stafford [hond 2] was. (...) Ik zag dat [hond 2] de straat op ging en meteen merkte ik dat onze hond [hond 1] zich ook losrukte uit mijn hand en met riem en al de witte [hond 2] achterna rende. Ik zag dat de 2 honden vanuit de voordeur rechtsaf wegrenden in de richting van het Volderhof.
6. Sectieverslag in opdracht van de Dierenpolitie Oost-Brabant Bijtincident [a-straat] d.d. 3 oktober 2016:
Ras: Yorkshire TerrierBevindingen
Verschillende bijtwonden aan rechterzijde, twee punctiewondjes in hals, een op schouderblad en zeven in bil.
Punctiewondje in half +-1 cm in doorsnede. Zie foto 1.
Bij openen van deze wondjes om te exploreren hoe diep deze reiken en wat de schade is, valt op dat verschillende spieren in de hals kapot zijn en tevens een groot bloedvat in de nek (vena jugularis). Bloedstolsels zijn zichtbaar. De halsslagader (arteria carotis) is intact. Zie foto 2 en 3.
Wond op schouderblad +- 2 bij 1 cm. Zie foto 4. Dit wondje gaat ook flink de diepte in en heeft de bespiering daar ook beschadigd. Een stukje van het schouderblad (spina scapula) is afgebroken. Zie foto 5.
Daarnaast zeven kleine en redelijk oppervlakkige wondjes in de bil.
Waarschijnlijk is de beet in de hals hem fataal geworden daar de vena jugularis is geraakt.”
6. Het hof heeft een in hoger beroep voorgedragen verweer van de raadsman als volgt samengevat en verworpen:
“Op te leggen straf
[…]
Het hof begrijpt dat verdachte nooit heeft gewild dat er andere honden zouden worden (dood)gebeten. Het is echter wel aan de schuld van de verdachte te wijten dat zijn hond [hond 1] en de hond, [hond 2] , de andere honden hebben gebeten.
Bij bepaalde hondenrassen dient meer voorzichtigheid in acht genomen te worden. Dit geldt onder meer voor de Amerikaanse Staffordshire terriers. Verdachte had een dubbele verantwoordelijkheid en een meer dan gemiddelde zorg. Verdachte was op de hoogte dat er in het verleden al eerder bijtincidenten hebben plaatsgevonden met honden van de familie [van betrokkene 3] . Verdachte was er voorts van op de hoogte dat er op dat moment een tweetal Amerikaanse Staffordshire terriers aanwezig waren in de woning. Verdachte had moeten weten dat juist met dit hondenras zorgvuldig dient te worden omgegaan en het was zijn verantwoordelijkheid om er voor te zorgen dat de honden bij het weggaan niet zouden kunnen ontsnappen.
Alles afwegende ziet het hof aanleiding om te volstaan met een geheel voorwaardelijke geldboete, ter hoogte van het hierna te benoemen bedrag.
Uit de stukken uit het dossier volgt dat de benadeelde partij, [betrokkene 1] , zag hoe zijn beide honden door [hond 1] en [hond 2] werden aangevallen en hoe een van zijn honden, [hond 3] , voor zijn ogen werd doodgebeten. Voor de benadeelde partij is het gebeuren schokkend en traumatisch geweest.
Gelet op het voorgaande acht het hof een schadevergoeding van € 500,- op zijn plaats.
Het hof zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 3 oktober 2016 is ontstaan.
Voor het overige zal de gevorderde schadevergoeding worden afgewezen.
[…]”
7. De tenlastelegging en bewezenverklaring zijn toegesneden op art. 425, aanhef en onder 2º, Sr. Daarom moeten de in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende uitdrukkingen "gevaarlijk dier", “voldoende zorg draagt” en “onder zijn hoede staan” geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in dat artikel.
8. Art. 425 Sr Pro luidt:
“Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft:
1°. hij die een dier op een mens aanhitst of een onder zijn hoede staand dier, wanneer het een mens aanvalt, niet terughoudt;
2°. hij die geen voldoende zorg draagt voor het onschadelijk houden van een onder zijn hoede staand gevaarlijk dier.”
9. De memorie van toelichting bij dit artikel houdt onder meer in:
“Terwijl in n.° 1 alle dieren bedoeld zijn, die op menschen kunnen worden aangehitst, is n.° 2 beperkt tot die dieren, die gevaarlijk zijn. Gevaarlijk is elk dier, waarvan schade voor lijf of goed te duchten is. Daarbij maakt het geen verschil, of deze eigenschappen aan alle exemplaren van die soort of alleen aan het corpus delicti eigen was, en evenmin of men met eene voortdurende eigenschap of met eene ziekte te doen heeft. Ook kwaadaardige of dolle honden zijn dus in de bepaling begrepen.” [1]
In het Verslag van de Tweede Kamer met Regeeringsantwoord valt nog te lezen:
“2°.
Gevaarlijk.(…) “
gevaarlijk”moet blijven. Anders zou bijv. ook het feit van art. 515 [458] onder dit artikel begrepen zijn. Overigens is in de Memorie van Toelichting duidelijk uitgedrukt, dat men hier
nietmet eene
abstracte, maar met eene
concreteeigenschap te doen heeft, zoodat bijv. ook honden onder deze dieren
kunnenbegrepen zijn.” [2]
10. De Hoge Raad heeft zich in verschillende arresten uitgesproken over de vraag wat onder een gevaarlijk dier in de zin van art. 425, aanhef en onder 2°, Sr moet worden verstaan. [3] In de eerste plaats gaat het daarbij niet enkel om een dier dat alleen gevaren oplevert voor de mens, aldus HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718,
NJ2019/103, m.nt. Wolswijk onder verwijzing naar de memorie van toelichting, die hierboven in randnummer 9 is weergegeven. [4] Uit HR 10 maart 1992, ECL:NL:HR:1992:ZC8999,
NJ1992/571 volgt dat niet is vereist dat het bepaalde dier al door zijn gedrag heeft laten blijken gevaarlijk te zijn voor mens of dier om als gevaarlijk te kunnen worden beschouwd. Ook een dier (in casu een hond) waarvan “op grond van andere feiten of omstandigheden kan worden aangenomen dat hij gevaren oplevert welke voormelde wetsbepaling in het algemeen heeft willen voorkomen, [moet] als gevaarlijk in de zin van die bepaling worden aangemerkt”. Aldus ook HR 15 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3579,
NJ2016/43, die vervolgens in lijn daarmee oordeelt dat een hond niet eerst dan als ‘gevaarlijk’ in de zin van art. 425 Sr Pro kan worden aangemerkt als die hond bij eerdere bijtincidenten betrokken is geweest. [5] Voorts wijs ik in dit verband nog op hetgeen in het commentaar bij art. 425 Sr Pro in Noyon/Langemeijer/Remmelink wordt opgemerkt: “Een gevaarlijk dier behoeft niet een dier van een gevaarlijke soort te zijn, maar kan ook zijn een gevaarlijk exemplaar van een in het algemeen niet gevaarlijke soort”. [6]
11. De bestanddelen ‘geen voldoende zorgdragen’ en ‘onder zijn hoede staan’ in de zin van art. 425, aanhef en onder 2º, Sr zijn volgens de verslaglegging in Smidt door de wetgever niet specifiek toegelicht. Wel heeft mijn ambtgenoot Spronken in haar conclusie vóór HR 21 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1097 erop gewezen dat in onderdeel 1° twee gedragingen strafbaar zijn gesteld, te weten het aanhitsen en het niet terughouden van een onder zijn hoede staand dier, en dat blijkens de memorie van toelichting bij de bespreking van dát onderscheid ook de positie van de eigenaar van het dier aan de orde is gekomen:
“Tusschen aanhitsen en niet terughouden wordt in het ontwerp, voor zooveel de betrekking tusschen den dader en het dier betreft, een onderscheid gemaakt dat in den Code Penal verwaarloosd was. Van aanhitsen heeft ieder, ook hij die tot het dier in geenerlei betrekking staat, zich te onthouden; tot het terughouden is alleen hij verpligt, die het dier hetzij als eigenaar, hetzij slechts tijdelijk onder zijn hoede heeft.” [7]
12. De rechtspraak van de Hoge Raad hierover is schaars. [8] Niettemin kan ten eerste worden gewezen op HR 16 januari 1928, ECLI:NL:HR:1928:275,
NJ1928, p. 250. De verdachte was een vader die zoals gewoonlijk zijn veertienjarig zoontje een vijftal koeien liet hoeden op een dijk onder Klaaswaal. Nadat op een gegeven moment het zoontje zich naar een nabij gelegen smidse had begeven met achterlating van de koeien en zonder dat iemand zijn taak had overgenomen, viel één van de koeien daar een zekere Willempje van der Jagt aan en gaf met de horens een stoot in haar linkerzij. De rechtbank veroordeelde (in hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter) de vader tot een geldboete van 15 gulden en een vervangende hechtenis van tien dagen wegens het geen voldoende zorgdragen voor het onschadelijk houden van een onder zijne hoede staand gevaarlijk dier (art. 425, aanhef en onder 2 º, Sr). De Hoge Raad oordeelde dat de verklaringen van de getuigen en van de verdachte inhielden dat de verdachte ter plaatse niet zelf aanwezig was en hij zijn veertienjarig zoontje met het toezicht over onder meer de gevaarlijke koe had belast, maar dat die verklaringen niets behelsden omtrent “het feit dat hij op tijd en plaats voormeld de bedoelde koe in den zin van art. 425 Sr Pro. onder zijn „hoede", dat is zijn feitelijk toezicht, heeft gehad”. Het vonnis werd dan ook vernietigd en de zaak werd verwezen naar het gerechtshof te ‘s-Gravenhage.
13. Uit dit arrest werd wel afgeleid dat ‘onder zijn hoede’ in de zienswijze van de Hoge Raad moet worden uitgelegd als ‘onder zijn feitelijk toezicht’. [9] Deze gevolgtrekking is echter onjuist, zo blijkt uit HR 21 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1097. In die zaak was het slachtoffer aangevallen door een pitbull en een rottweiler toen hij naar zijn auto liep. Beide honden verbleven toen bij de broers van de verdachte. Het hof ging op grond van de aangifte en de vastgestelde feiten en omstandigheden er vanuit dat de honden onder de hoede van de verdachte stonden. Het hof overwoog daartoe dat daaraan niet afdeed dat niet kon worden vastgesteld dat de verdachte bij het bijtincident aanwezig was geweest, aangezien de verdachte op dat moment de eigenaar van deze honden was, terwijl niet was gesteld of gebleken dat de feitelijke verantwoordelijkheid en verzorging van die honden op dat moment op iemand anders rustte dan de verdachte. De Hoge Raad oordeelde:
“3.4. Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte de eigenaar is van de twee gevaarlijke honden die, klaarblijkelijk zonder muilkorf en onaangelijnd, over de [a-straat] te Amsterdam liepen, dat die honden aldaar de aangever [slachtoffer] op 23 mei 2012 hebben aangevallen en gebeten, dat de honden feitelijk verblijven bij de broers van de verdachte die woonachtig zijn op het adres [a-straat] 48 te Amsterdam, en dat die honden na de aanval door twee mannen zijn vastgepakt en op dat adres zijn binnengebracht.
3.5. Het Hof heeft geoordeeld dat de honden onder de hoede van de verdachte stonden als bedoeld in art. 425, aanhef en onder 2º, Sr. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Dat berust op het volgende.
Het Hof heeft onder de in zijn hiervoor in 2.3 weergegeven overwegingen vermelde omstandigheden de verdachte kunnen aanmerken als degene die voldoende zorg dient te dragen voor het onschadelijk houden van zijn gevaarlijke dieren, nu aan de verdachte als eigenaar van de honden in het algemeen de zeggenschap zal toekomen over de wijze waarop zijn gevaarlijke dier onschadelijk moet worden gehouden, en in de overwegingen van het Hof besloten ligt dat niet is gebleken dat die zeggenschap of zorg op een zodanige manier aan een ander was toevertrouwd dat alleen die ander zou kunnen worden aangemerkt als diegene bij wie de dieren onder zijn hoede stonden. De omstandigheid dat het Hof niet heeft vastgesteld dat de honden toen zij het slachtoffer aanvielen daadwerkelijk onder het feitelijk toezicht van de verdachte stonden, leidt niet tot een ander oordeel.”
14. Een gevaarlijk dier kan dus onder omstandigheden onder de hoede staan van de eigenaar ook als het dier elders verblijft en niet onder zijn feitelijk toezicht staat. Machielse merkt daarover in Noyon/Langemeijer/Remmelink nog op dat het in het algemeen de eigenaar van een gevaarlijk dier zal zijn, die de zeggenschap heeft over de wijze waarop dit dier onschadelijk moet worden gehouden, en dat hij als eigenaar van die zorg alleen bevrijd zal zijn wanneer die zeggenschap of zorg aan een ander is toevertrouwd en dan alleen die ander kan worden aangemerkt als degene bij wie het dier onder zijn hoede stond. [10] Die analyse lijkt mij juist.
15. Terug naar de onderhavige zaak. Het middel omvat verschillende deelklachten. Allereerst wordt met een beroep op art. 425, aanhef en onder 2°, Sr en HR 15 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3579,
NJ2016/43 geklaagd dat het hof niet expliciet en specifiek heeft overwogen dat voorafgaand aan het incident sprake is geweest van een eerder incident en evenmin dat er andere feiten en omstandigheden waren die maakten dat de honden [hond 1] en [hond 2] als ‘gevaarlijk dier’ in de hier bedoelde zin konden worden aangemerkt. De tweede deelklacht houdt in dat voor zover het hof heeft geoordeeld dat die andere feiten en omstandigheden er wel waren, dit oordeel berust op een onjuiste vaststelling van het ras, nu het in casu niet gaat om een Amerikaanse, maar om een Engelse staffordshire en op een generalisering die het hof niet had mogen maken. De derde deelklacht luidt dat de hond [hond 2] anders dan is bewezenverklaard niet onder de hoede van de verdachte stond, en hij ook niet van eerdere bijtincidenten van de hond [hond 2] op de hoogte was.
16. Ik begin met de laatste deelklacht, omdat deze mijns inziens zeker doel treft voor zover het gaat om de bewezenverklaring van het ‘onder zijn hoede staan’ van de Engelse staffordshire [hond 2] .
17. Op de terechtzitting van het hof van 21 januari 2019 heeft de verdachte verklaard dat [hond 1] zijn hond is, dat [hond 2] (de witte hond) in de woning van zijn vriendin was, dat de tussendeur naar woonkamer dicht was, dat hij net wilde gaan, dat hij niet wist dat [hond 2] boven was en dat [hond 2] naar beneden stormde en tussen de deur door glipte. Door de raadsman van de verdachte is op die terechtzitting in aanvulling op zijn pleitnota naar voren gebracht dat zijn cliënt niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor [hond 2] , omdat hij niet de eigenaar van deze hond was en hij enkel bij zijn vriendin op bezoek was.
18. Het hof heeft evenwel ten laste van de verdachte ook het ‘niet voldoende zorgdragen voor het onschadelijk houden van de onder zijn hoede staande gevaarlijke pitbull/Engelse staffordshire [hond 2] ’ bewezenverklaard en de verdachte mede daarvoor veroordeeld. Onder het hoofd “Op te leggen straf” [11] heeft het hof (daartoe) overwogen dat (i) de verdachte een dubbele verantwoordelijkheid en een meer dan gemiddelde zorg had, (ii) hij ervan op de hoogte was dat in het verleden al eerder bijtincidenten hadden plaatsgevonden met honden van de familie [van betrokkene 3] , (iii) hij voorts ervan op de hoogte was dat er op dat moment een tweetal Amerikaanse staffordshire terriërs in de woning aanwezig waren, (iv) de verdachte had moeten weten dat juist met dit hondenras zorgvuldig dient te worden omgegaan en (v) het zijn verantwoordelijkheid was om er voor te zorgen dat de honden bij het weggaan niet zouden kunnen ontsnappen.
19. Ik meen dat het bestreden oordeel van het hof in ieder geval in zoverre geen stand kan houden. Uit de bewijsmiddelen kan worden opgemaakt dat een zekere [betrokkene 4] (of ruimer: de familie [van betrokkene 3] ) op dat moment de eigenaar van de Engelse staffordshire [hond 2] was. Uit de bewijsmiddelen volgt hoe dan ook niet dat déze hond van de verdachte was. Toen de verdachte in de ouderlijke woning van zijn vriendin [betrokkene 3] ‘hun’ hond [hond 1] met één hand aan de riem had, zag hij in een flits ‘een andere hond van de familie [van betrokkene 3] ’, genaamd [hond 2] , naar buiten schieten. Naar het mij voorkomt laat zich uit de bewijsvoering van het hof niet afleiden dat [hond 2] onder de hoede van de verdachte stond, noch dat het de verdachte is geweest die geen voldoende zorg heeft gedragen voor het onschadelijk houden van deze hond. Op dit onderdeel getuigt het oordeel van het hof van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dit oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk, en is de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met voldoende redenen omkleed.
20. Deze deelklacht treft doel.
21. De andere twee deelklachten leggen de vraag voor of het hof de Engelse staffordshire terriërs [hond 1] en [hond 2] heeft kunnen aanmerken als een ‘gevaarlijk dier’ in de zin van art. 425, aanhef en onder 2°, Sr. Nu naar mijn oordeel niet gezegd kan worden dat [hond 2] onder de hoede van de verdachte stond en evenmin dat hij geen voldoende zorg heeft gedragen voor het onschadelijk houden van [hond 2] , meen ik dat deze vraag met betrekking tot [hond 2] in deze conclusie niet hoeft te worden beantwoord. Ik beperk mij hieronder dan ook tot de hond [hond 1] .
22. Over [hond 1] hebben de verdachte en zijn vriendin [betrokkene 3] verklaard dat het ‘hun’ hond was. Het was dus ook de hond van de verdachte. De verdachte was in de gang van het ouderlijk huis van [betrokkene 3] bezig [hond 1] aan te lijnen, toen deze zich plotseling losrukte en er met riem en al vandoor ging, rennend achter [hond 2] aan. Uit de aangiftes blijkt dat [hond 1] en [hond 2] de hondjes [hond 3] , [hond 4] en [hond 5] hebben aangevallen en gebeten, en het hondje [hond 3] zelfs hebben doodgebeten.
23. Daarbij verdient opmerking dat volgens het proces-verbaal van aangifte inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] het incident met [hond 3] zich om 16:20 uur voordeed en dat in het proces-verbaal van aangifte inhoudende als verklaring van aangever [betrokkene 2] staat gerelateerd dat het incident met [hond 4] en [hond 5] om 22:30 uur plaatsvond. Onbelangrijk voor de beoordeling van het middel zijn deze tijdstippen bepaald niet: als immers het oordeel zou moeten luiden dat [hond 1] om 16:20 uur bij het eerste incident ( [hond 3] ) nog niet als gevaarlijk in de zin van de wet kan worden beschouwd, dan, na die concrete gebeurtenis, zeker wel bij het tweede incident ( [hond 4] en [hond 5] ) indien het tijdstip van 22:30 uur moet worden aangehouden en [hond 2] en [hond 1] toen (wederom) losliepen, wat volgens de verklaring van [betrokkene 2] het geval was.
24. Ik vermoed echter dat het tijdstip van 22:30 uur niet correct is. Aangever [betrokkene 2] heeft namelijk verklaard dat hij die 2e oktober om 16:30 uur zijn beide hondjes ging uitlaten in de omgeving van zijn woning. Het is niet heel waarschijnlijk dat iemand daar zes uur voor uittrekt. Hoewel de andere gebezigde bewijsmiddelen daarvoor geen aanknopingspunten bieden, zal ik er in mijn bespreking van deze deelklacht vanuit gaan dat de beide incidenten te situeren zijn binnen een aaneengesloten tijdsverloop, hetwelk met die ene ontsnapping uit het ouderlijk huis van [betrokkene 3] gepaard is gegaan, en [hond 2] en [hond 1] in hun vlucht op zoek gingen naar hun prooi, eerst [hond 3] en vervolgens [hond 4] en [hond 5] . Indien het middel in ieder geval voor wat betreft de derde deelklacht slaagt en de zaak om die reden wordt teruggewezen naar het hof, zou het aanbeveling verdienen om op de terechtzitting aan de in de aangiftes vermelde tijdstippen en de gang van zaken wat meer aandacht te geven.
25. Dat een dier gevaren oplevert in de hier bedoelde zin kan, als gezegd, blijken uit eerdere (bijt)incidenten of aangenomen worden op grond van andere relevante feiten of omstandigheden. Voor zover uit de bewijsmiddelen kan worden opgemaakt, zijn van [hond 1] geen eerdere (bijt)incidenten bekend. Weliswaar kan men in de strafmotivering van het hof lezen dat “in het verleden al eerder bijtincidenten hebben plaatsgevonden met honden van de familie [betrokkene 3] ”, maar niet dat het hof daarbij ook doelt op [hond 1] . Kennelijk is het hof van oordeel dat op grond van andere feiten of omstandigheden kan worden aangenomen dat [hond 1] gevaren oplevert welke art. 425, aanhef en onder 2°, Sr heeft willen voorkomen. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat het hof aan dat (impliciete) oordeel alleen ten grondslag heeft gelegd dat bij een hondenras als de Amerikaanse staffordshire terriër meer voorzichtigheid in acht met worden genomen. De andere in de strafmotivering aangestipte factoren hebben geen betrekking op feiten en omstandigheden die verband houden met de gevaarlijkheid van de hond ( [hond 1] ), maar op de dubbele verantwoordelijkheid en een meer dan gemiddelde zorg die de verdachte volgens het hof in deze zaak had.
26. Al aangenomen dat de Amerikaanse staffordshire terriër naar zijn ras of aard een gevaarlijke hond is, dan kan die overweging niet dragend zijn voor het oordeel van het hof dat
[hond 1]een gevaarlijk dier is. [hond 1] is immers een Engelse staffordshire terriër. Ik denk niet dat het hier om een ongelukkige verschrijving gaat. Er wordt in de strafmotivering immers tot twee keer toe gesproken over een Amerikaanse staffordshire terriër. Dat duidt er veeleer op dat bij het opschrijven en het vaststellen van de strafmotivering abusievelijk de gedachte leefde dat het om een Amerikaanse staffordshire terriër ging. Ook daarover klaagt het middel terecht. Dat betekent tevens dat deze overweging niet kan dienen als grondslag voor het oordeel dat op grond van andere feiten of omstandigheden kan worden aangenomen dat [hond 1] reeds de bedoelde gevaren opleverde nog voordat de bewezenverklaarde incidenten plaatsvonden. Ook in zoverre is het middel terecht voorgesteld.
27. Het middel slaagt op verschillende onderdelen.

Het tweede middel

28. Het tweede middel klaagt over ’s hofs toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [betrokkene 1] tot een bedrag van € 500,00. Uit mijn bespreking van het eerste middel vloeit voort dat ik niet toekom aan bespreking van het tweede middel.

Ambtshalve opmerking

29. Ambtshalve merk ik het volgende op. De verdachte heeft op 22 januari 2019 beroep in cassatie doen instellen. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Mocht de Hoge Raad een andere dan de door mij voorgestelde weg inslaan en tot het oordeel komen dat de middelen falen, dan is er gelet op de aan de verdachte opgelegde straf (een voorwaardelijke geldboete van € 250,00) en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en kan worden volstaan met dat oordeel.

Slotsom

30. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.H.J. Smidt,
2.Smidt, a.w., p. 185.
3.Zie daarover ook Noyon/Langemeijer/Remmelink (NLR), Het
4.In dezelfde zin HR 10 maart 1992, ECL:Nl:HR:1992:ZC8999,
5.In die zaak had een mishandelde en verwaarloosde Amerikaanse staffordshire een chihuahua doodgebeten. Het hof had vastgesteld dat er een aanmerkelijk risico was dat deze hond “zonder voorzorgsmaatregelen gevaarlijk voor personen en/of andere dieren kon zijn en derhalve als ‘gevaarlijk’ in de zin van artikel 425 van Pro het wetboek moet worden aangemerkt”. Vgl. ook HR 22 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM3642,
6.NLR, art. 425 Sr Pro, aant. 2. De bijgevoegde noot in die aantekening houdt in: “Zo ook HR 16 januari 1922, W 10 867,
7.Smidt, a.w., p. 183.
8.Zie voor een analyse van die rechtspraak tot aan HR 21 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1097 de aan dat arrest voorafgaande conclusie van A-G Spronken.
9.Zie de meergenoemde conclusie van A-G Spronken.
10.NLR, art. 425, aant. 3.
11.Het is mij niet duidelijk waarom deze overweging onder dit hoofd is opgenomen.