Conclusie
Inleiding
Het eerste middel
Bewijsmiddelen
verklaring van aangever [betrokkene 1], afgelegd op 2 oktober 2016:
als verklaring van aangever [betrokkene 2], afgelegd op 2 september 2016 [het hof begrijpt: 2 oktober 2016]:
verklaring van verdachte [betrokkene 3], afgelegd 13 oktober 2016:
als verklaring van de verdachte, afgelegd 13 oktober 2016:
[…]
Het hof begrijpt dat verdachte nooit heeft gewild dat er andere honden zouden worden (dood)gebeten. Het is echter wel aan de schuld van de verdachte te wijten dat zijn hond [hond 1] en de hond, [hond 2] , de andere honden hebben gebeten.
Bij bepaalde hondenrassen dient meer voorzichtigheid in acht genomen te worden. Dit geldt onder meer voor de Amerikaanse Staffordshire terriers. Verdachte had een dubbele verantwoordelijkheid en een meer dan gemiddelde zorg. Verdachte was op de hoogte dat er in het verleden al eerder bijtincidenten hebben plaatsgevonden met honden van de familie [van betrokkene 3] . Verdachte was er voorts van op de hoogte dat er op dat moment een tweetal Amerikaanse Staffordshire terriers aanwezig waren in de woning. Verdachte had moeten weten dat juist met dit hondenras zorgvuldig dient te worden omgegaan en het was zijn verantwoordelijkheid om er voor te zorgen dat de honden bij het weggaan niet zouden kunnen ontsnappen.
Alles afwegende ziet het hof aanleiding om te volstaan met een geheel voorwaardelijke geldboete, ter hoogte van het hierna te benoemen bedrag.
[…]”
Gevaarlijk.(…) “
gevaarlijk”moet blijven. Anders zou bijv. ook het feit van art. 515 [458] onder dit artikel begrepen zijn. Overigens is in de Memorie van Toelichting duidelijk uitgedrukt, dat men hier
nietmet eene
abstracte, maar met eene
concreteeigenschap te doen heeft, zoodat bijv. ook honden onder deze dieren
kunnenbegrepen zijn.” [2]
NJ2019/103, m.nt. Wolswijk onder verwijzing naar de memorie van toelichting, die hierboven in randnummer 9 is weergegeven. [4] Uit HR 10 maart 1992, ECL:NL:HR:1992:ZC8999,
NJ1992/571 volgt dat niet is vereist dat het bepaalde dier al door zijn gedrag heeft laten blijken gevaarlijk te zijn voor mens of dier om als gevaarlijk te kunnen worden beschouwd. Ook een dier (in casu een hond) waarvan “op grond van andere feiten of omstandigheden kan worden aangenomen dat hij gevaren oplevert welke voormelde wetsbepaling in het algemeen heeft willen voorkomen, [moet] als gevaarlijk in de zin van die bepaling worden aangemerkt”. Aldus ook HR 15 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3579,
NJ2016/43, die vervolgens in lijn daarmee oordeelt dat een hond niet eerst dan als ‘gevaarlijk’ in de zin van art. 425 Sr Pro kan worden aangemerkt als die hond bij eerdere bijtincidenten betrokken is geweest. [5] Voorts wijs ik in dit verband nog op hetgeen in het commentaar bij art. 425 Sr Pro in Noyon/Langemeijer/Remmelink wordt opgemerkt: “Een gevaarlijk dier behoeft niet een dier van een gevaarlijke soort te zijn, maar kan ook zijn een gevaarlijk exemplaar van een in het algemeen niet gevaarlijke soort”. [6]
NJ1928, p. 250. De verdachte was een vader die zoals gewoonlijk zijn veertienjarig zoontje een vijftal koeien liet hoeden op een dijk onder Klaaswaal. Nadat op een gegeven moment het zoontje zich naar een nabij gelegen smidse had begeven met achterlating van de koeien en zonder dat iemand zijn taak had overgenomen, viel één van de koeien daar een zekere Willempje van der Jagt aan en gaf met de horens een stoot in haar linkerzij. De rechtbank veroordeelde (in hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter) de vader tot een geldboete van 15 gulden en een vervangende hechtenis van tien dagen wegens het geen voldoende zorgdragen voor het onschadelijk houden van een onder zijne hoede staand gevaarlijk dier (art. 425, aanhef en onder 2 º, Sr). De Hoge Raad oordeelde dat de verklaringen van de getuigen en van de verdachte inhielden dat de verdachte ter plaatse niet zelf aanwezig was en hij zijn veertienjarig zoontje met het toezicht over onder meer de gevaarlijke koe had belast, maar dat die verklaringen niets behelsden omtrent “het feit dat hij op tijd en plaats voormeld de bedoelde koe in den zin van art. 425 Sr Pro. onder zijn „hoede", dat is zijn feitelijk toezicht, heeft gehad”. Het vonnis werd dan ook vernietigd en de zaak werd verwezen naar het gerechtshof te ‘s-Gravenhage.
NJ2016/43 geklaagd dat het hof niet expliciet en specifiek heeft overwogen dat voorafgaand aan het incident sprake is geweest van een eerder incident en evenmin dat er andere feiten en omstandigheden waren die maakten dat de honden [hond 1] en [hond 2] als ‘gevaarlijk dier’ in de hier bedoelde zin konden worden aangemerkt. De tweede deelklacht houdt in dat voor zover het hof heeft geoordeeld dat die andere feiten en omstandigheden er wel waren, dit oordeel berust op een onjuiste vaststelling van het ras, nu het in casu niet gaat om een Amerikaanse, maar om een Engelse staffordshire en op een generalisering die het hof niet had mogen maken. De derde deelklacht luidt dat de hond [hond 2] anders dan is bewezenverklaard niet onder de hoede van de verdachte stond, en hij ook niet van eerdere bijtincidenten van de hond [hond 2] op de hoogte was.
[hond 1]een gevaarlijk dier is. [hond 1] is immers een Engelse staffordshire terriër. Ik denk niet dat het hier om een ongelukkige verschrijving gaat. Er wordt in de strafmotivering immers tot twee keer toe gesproken over een Amerikaanse staffordshire terriër. Dat duidt er veeleer op dat bij het opschrijven en het vaststellen van de strafmotivering abusievelijk de gedachte leefde dat het om een Amerikaanse staffordshire terriër ging. Ook daarover klaagt het middel terecht. Dat betekent tevens dat deze overweging niet kan dienen als grondslag voor het oordeel dat op grond van andere feiten of omstandigheden kan worden aangenomen dat [hond 1] reeds de bedoelde gevaren opleverde nog voordat de bewezenverklaarde incidenten plaatsvonden. Ook in zoverre is het middel terecht voorgesteld.