ECLI:NL:HR:2015:16

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 januari 2015
Publicatiedatum
8 januari 2015
Zaaknummer
13/05000
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieRichtlijn 2000/78/EG
Verwijzingen
3 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake belastingheffing arbeidsongeschiktheidsuitkering

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 5 september 2013, waarin het hoger beroep tegen een uitspraak van de Rechtbank Haarlem over de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2008 werd behandeld.

De Hoge Raad beoordeelde de ingediende klachten en oordeelde dat deze niet tot cassatie konden leiden. Er was geen noodzaak tot nadere motivering, omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Verder wees de Hoge Raad het verzoek van belanghebbende af om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De belastingheffing op de arbeidsongeschiktheidsuitkering leidde niet tot discriminatie bij de toegang tot arbeid in loondienst volgens Richtlijn 2000/78/EG, noch tot schending van Unierecht.

Ten slotte wees de Hoge Raad een veroordeling in proceskosten af en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest werd gewezen door de raadsheren Schaap, van Loon en Fierstra en uitgesproken op 9 januari 2015.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het verzoek om prejudiciële vragen wordt afgewezen.

Uitspraak

9 januari 2015
Nr. 13/05000
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 5 september 2013, nr. 12/00321, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 11/3114) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2008 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Belanghebbende heeft daarenboven een verzoek om wraking ingediend.
Bij beslissing van 19 december 2014, nrs. 14/04896 tot en met 14/04899 is het verzoek tot wraking afgewezen.

2.Beoordeling van de klachten

De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad ziet geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie, zoals door belanghebbende is verzocht. Het is namelijk niet voor redelijke twijfel vatbaar dat de onderhavige belastingheffing over belanghebbendes arbeidsongeschiktheidsuitkering niet leidt tot discriminatie bij de toegang tot arbeid in loondienst als bedoeld in de Richtlijn 2000/78/EG, noch tot een schending van enige andere regel van Unierecht.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2015.