Belanghebbende, een douane-expediteur, deed achttien maal aangifte voor het in het vrije verkeer brengen van voedingssupplementen. De Inspecteur voerde een controle na invoer uit en stelde dat de aangegeven douanewaarde te laag was, waarna uitnodigingen tot betaling werden uitgereikt. Belanghebbende maakte bezwaar en verzocht om inzage in de bewijsstukken, die deels laat werden verstrekt.
Het Gerechtshof oordeelde dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat zij voorafgaand aan de uitnodigingen tot betaling een relevante inbreng had kunnen leveren die tot een andere uitkomst had kunnen leiden. De Hoge Raad stelde echter dat het Hof onvoldoende had onderzocht of de besluitvorming zonder schending van het verdedigingsbeginsel een andere afloop had kunnen hebben, mede omdat de waardering en interpretatie van feiten voor discussie vatbaar waren.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het Hof en de uitspraak van de Rechtbank, en vernietigde de uitnodigingen tot betaling. Tevens werd de Staatssecretaris en de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten. De zaak werd terugverwezen voor verdere behandeling met inachtneming van het arrest.