Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
8 september 2015.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof Amsterdam veroordeeld voor het voorhanden hebben van een fiets waarvan hij redelijkerwijs moest vermoeden dat deze door misdrijf was verkregen. Het hof baseerde zijn oordeel op meerdere proces-verbalen waarin onder meer werd vastgesteld dat de fiets geen goed werkend veiligheidsslot had, schade vertoonde op het frame ter hoogte van het slot en het framenummer was weggevijld.
De verdachte verklaarde de fiets op straat te hebben gekocht voor een bedrag van € 60,- terwijl de dagwaarde werd vastgesteld op € 300,-. De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het hof, dat de fiets van diefstal afkomstig moest zijn, niet onbegrijpelijk was gezien de bewijsmiddelen en de discrepantie in de aankoopprijs.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het arrest van het hof. De zaak wordt niet terugverwezen, waarmee de bewezenverklaring en veroordeling definitief zijn geworden.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor schuldheling wordt bevestigd.