ECLI:NL:PHR:2021:1117

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 november 2021
Publicatiedatum
28 november 2021
Zaaknummer
20/02281
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 339 SvArt. 359 SvArt. 417bis SrArt. 417 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende motivering schuldheling fiets

De verdachte werd door het hof Den Haag veroordeeld voor schuldheling van een fiets die hij op 19 april 2019 te Delft bij zich had. Het hof achtte bewezen dat de fiets een door misdrijf verkregen goed was omdat het slot open was en er geen sleutel aanwezig was, en dat verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de fiets gestolen was.

De verdediging voerde aan dat er geen direct bewijs was dat de fiets gestolen was en dat de verdachte geen onderzoeksplicht had omdat er geen duidelijke aanwijzingen waren. De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte een feit van algemene bekendheid aannam zonder dit ter terechtzitting te bespreken en dat de motivering ontoereikend is, mede door onduidelijkheid over het type slot en het ontbreken van aanvullende indicaties van diefstal.

De Hoge Raad verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling, waarbij het hof de zaak opnieuw moet behandelen en motiveren of en waarom de fiets van misdrijf afkomstig is en of verdachte redelijkerwijs dat had moeten vermoeden.

Uitkomst: Arrest van het hof vernietigd en zaak terugverwezen wegens onvoldoende motivering schuldheling fiets.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer20/02281
Zitting30 november 2021
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte.
I. Inleiding
De verdachte is bij arrest van 23 juli 2020 door het gerechtshof Den Haag wegens onder meer het onder 1 bewezenverklaarde feit “schuldheling” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met aftrek van het voorarrest.
Namens de verdachte heeft mr. A.P. Visser, advocaat te 's-Gravenhage, twee middelen van cassatie voorgesteld. De middelen bevatten klachten over de motivering van de bewezenverklaring van het onder feit 1 tenlastegelegde en de verwerping door het hof van een namens de verdachte gevoerd bewijsverweer.
Alvorens de middelen te bespreken, geef ik de door het hof voor de bewezenverklaring van feit 1 gebruikte bewijsconstructie weer, alsook het namens de verdachte gevoerde bewijsverweer (het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt) en een deel van de ter terechtzitting in hoger beroep door de verdachte afgelegde verklaring.
II. Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
4. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:
“hij op 19 april 2019 te Delft, een goed te weten een fiets (merk Spirit) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof”
5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal van aanhouding d.d. 19 april 2019 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2019105571-2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 5 e.v.):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op vrijdag 19 april 2019 bevond ik mij op de Westlandseweg te Delft. Ik zag vanaf de Krakeelpolderweg een man, die ik herkende als [verdachte] , met een zwarte fiets aan zijn hand naar de Papsouwselaan lopen. Ik ben achter hem aan gereden en toen ik naast hem reed zag ik dat er geen sleutel in het slot van de fiets was. Ik gaf verdachte de cautie en vroeg waarom er geen sleutel in het slot zat. Ik hoorde verdachte zeggen dat hij dat niet wist. Ik heb verdachte op vrijdag 19 april 2019 te 15:01 aangehouden ter zake heling danwel diefstal.
2. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 april 2019 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2019105571-14. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 10):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar
Naar aanleiding van de heling/diefstal fiets gepleegd door de verdachte [verdachte] , heb ik nader onderzoek ingesteld naar de fiets. Onderzoek aan de fiets laat zien dat er geen braakschade is aan het U slot welke vast aan de fiets is bevestigd. Het fietsslot was anders geopend dan door een fietssleutel. Betreft de fiets met framenummer [001] merk Spirit en zwart van kleur, welke op 19 april 2019, te 15:01 uur, bij de verdachte [verdachte] in beslag is genomen.
3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 april 2019 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2019105571-6. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 52 e.v.):
als verklaring van de verdachte:
V: Je bent aangehouden voor heling cq diefstal van een fiets. Hoe kom je aan die fiets?
A: Van een neef van mij.
V: Wat is het merk van die fiets?
A: Spirit
Dit is de eerste keer dat ik bij mijn neef kwam omdat hij pas verhuisd is.
V: Waarom zat er geen sleutel in het fietsslot?
A: Dat moet je niet aan mij vragen. Dat weet ik niet.
4. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 9 juli 2020, inhoudende:
Over feit 1 wil ik niks zeggen. Ik heb de fiets van een neef/vriend geleend. Het staat al in mijn verklaring bij de politie. Het was wel raar dat er geen sleutel was en dat het slot open was, maar wat kan ik doen. Ik wilde lekker fietsen.”
III. Ter terechtzitting gevoerd bewijsverweer en aldaar afgelegde verklaring van de verdachte
6. Het hof heeft een in hoger beroep voorgedragen verweer van de raadsvrouw als volgt samengevat en verworpen:
“Bewijsoverweging feit 1
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep uitvoerig bepleit dat geen sprake is van schuldheling nu uit het dossier niet blijkt dat de fiets was gestolen en uit het dossier evenmin kan volgen dat de verdachte ten tijde van het verkrijgen van de fiets wist of had kunnen weten dat deze van misdrijf afkomstig was.
Het hof overweegt als volgt.
Op basis van het dossier staat vast dat het slot van de betreffende fiets open was, maar niet was voorzien van een sleutel. De verdachte heeft dit erkend en heeft daarover verklaard dat hij de fiets zo in handen heeft gekregen en geen onderzoek heeft verricht naar de oorzaak van het aldus geopende slot. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij het wel een beetje gek vond dat er geen sleutel in het slot zat. De fiets verkeerde - blijkens de zich in het dossier bevindende foto's - in goede staat.
Het hof acht het een feit van algemene bekendheid dat een fiets afkomstig is uit enig misdrijf als deze in goede staat verkeert en een open slot heeft waarbij de sleutel ontbreekt. Deze omstandigheid had de verdachte tot voorzichtigheid en nader onderzoek moeten nopen. Nu de verdachte geen enkel onderzoek heeft gedaan en op dit punt ook geen navraag heeft gedaan bij degene van wie hij de fiets geleend had, is hij tekort geschoten in zijn onderzoeksplicht en had hij minst genomen redelijkerwijs moeten vermoeden dat de fiets was gestolen, zodat sprake is van schuldheling. Het hof verwerpt aldus het verweer van de raadsvrouw.”
7. Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 9 juli 2020 heeft de raadsvrouw van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig haar aan het hof overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:

Heling fiets
2. [verdachte] heeft de fiets geleend en dat is niet strafbaar. Er zijn geen directe bewijsmiddelen voorhanden waaruit blijkt dat de fiets gestolen is, maar ook niet dat hij wist, had moeten of kunnen weten dat de fiets van misdrijf afkomstig was. Het dossier geeft daarvoor onvoldoende aanknopingspunten.
3. Uit het dossier blijkt dat de politie [verdachte] op enig moment ziet lopen met een fiets, en omdat hij een oude bekende is, is de politie hem gaan volgen. De politie constateert aan de fiets slechts dat in het (originele) slot geen sleutel zit, waarop hij wordt aangehouden wegens diefstal c.q. heling.
4. Niet geconstateerd wordt dat bijvoorbeeld de fiets schade had (ter hoogte van het veiligheidsslot), het framenummer was weg gevijld, onderdelen zijn veranderd of de dealersticker was verwijderd. Dat zijn belangrijke indicaties dat er gerommeld is met een fiets om de strafbare afkomst te verhullen.
[…]
7. Er is geen misdrijf bekend ten aanzien van de fiets; er is geen aangifte en ook het plaatsen van een foto van de fiets op Facebook heeft tot nu toe kennelijk niets opgeleverd. Er is geen indicatie dat er sprake is van verhulling van een misdrijf, en ook de onderzoeksplicht reikte niet verder, temeer nu vanwege het ontbreken van die indicatoren dit van [verdachte] niet gevergd hoefde te worden.
[…]
Conclusie
[…]
Uit de bewijsmiddelen in onderhavige zaak kan niet zonder meer blijken dat de fiets van een misdrijf afkomstig was en ten tijde van het voorhanden hebben [verdachte] wist of had kunnen weten dat de fiets van een misdrijf afkomstig was. Er was onder de gegeven omstandigheden, bij gebreke van duidelijke indicaties zoals beschadigingen of veranderingen aan de fiets, ook geen nadere onderzoeksplicht.
[verdachte] moet derhalve van dit feit worden vrijgesproken.”
8. Volgens datzelfde zittingsverbaal heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep het volgende verklaard:
“Over feit 1 wil ik niks zeggen. De fiets was niet gestolen. Ik heb de fiets van een neef/vriend geleend. Hij is bang om te praten met de politie.
De voorzitter houdt voor dat er tegenstrijdige verklaringen zijn. Eerst verklaart de verdachte dat de fiets niet is gestolen en later dat hij komt van een neef/vriend.
De verdachte vervolgt zijn verklaring.
Het staat al in mijn verklaring bij de politie. Volgens mij was de fiets niet gestolen. Het was wel raar dat er geen sleutel was en dat het slot open was, maar wat kan ik doen. Ik wilde lekker fietsen.”
IV. De middelen en de bespreking daarvan
9. Het eerste middel, bezien in samenhang met de toelichting, klaagt dat het hof niet, althans onvoldoende, heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwd en ter zitting voorgedragen standpunt van de verdediging “dat er geen sprake is van heling van een fiets en van verdachte geen nader onderzoek gevergd had mogen worden”. De steller van het middel voert daarbij in het bijzonder aan dat het hof onder de gegeven omstandigheden niet “als feit van algemene bekendheid [had] mogen aannemen dat de fiets gestolen was op grond van het enkele feit dat de sleutel van het originele slot ontbrak”.
10. Het tweede middel klaagt dat de bewezenverklaring van de onder feit 1 tenlastegelegde schuldheling niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid [1] en “het hof de verdediging een responsiemogelijkheid heeft onthouden aangaande en voor het eerst bij arrest aangenomen feit van algemene bekendheid waardoor het beginsel van fair trial is geschonden”.
11. Aangezien beide middelen met deels overlappende klachten opkomen tegen de motivering van de bewezenverklaring van het onder feit 1 tenlastegelegde, en in het bijzonder klagen over het door het hof in zijn bewijsoverweging aangemerkte feit van algemene bekendheid, lenen de middelen zich voor een gezamenlijke bespreking. Ik bespreek eerst de klachten over het door het hof als feit van algemene bekendheid aangemerkte gegeven dat “een fiets afkomstig is uit enig misdrijf als deze in goede staat verkeert en een open slot heeft waarbij de sleutel ontbreekt”. Daarna volgt een bespreking van de resterende klachten, die de middelen richten tegen de motivering van de bewezenverklaring van de onder feit 1 tenlastegelegde schuldheling.
Bespreking van de klachten over het door het hof aangemerkte feit van algemene bekendheid
12. Bij de bespreking van deze klachten kan het volgende worden vooropgesteld. Art. 339, tweede lid, Sv bepaalt dat feiten of omstandigheden van algemene bekendheid geen bewijs behoeven. Feiten of omstandigheden van algemene bekendheid betreffen gegevens die ieder van de rechtstreeks bij het geding betrokkenen geacht moet worden te kennen of die hij zonder noemenswaardige moeite uit algemeen toegankelijke bronnen kan achterhalen; voor algemene ervaringsregels geldt hetzelfde. [2] Bij dergelijke feiten of omstandigheden gaat het in de regel om gegevens die geen specialistische kennis veronderstellen en waarvan de juistheid redelijkerwijs niet voor betwisting vatbaar is. [3] De rechter is niet verplicht om een gegeven dat evident van algemene bekendheid is bij het onderzoek ter terechtzitting ter sprake te brengen. Als echter niet zonder meer duidelijk is of het gaat om een gegeven dat van algemene bekendheid is, dient de rechter dat gegeven bij de behandeling ter terechtzitting aan de orde te stellen. Daarmee wordt voorkomen dat de rechter zijn beslissing (mede) baseert op gegevens die hem buiten het geding ter kennis zijn gekomen en waarvan de overige bij het geding betrokkenen onkundig zijn gebleven zodat zij zich daarover ook niet hebben kunnen uitlaten. Indien bij dat onderzoek op de terechtzitting vervolgens het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt wordt ingenomen dat en waarom het gegeven niet van algemene bekendheid is, zal de rechter in geval van afwijking van dat standpunt in zijn uitspraak op de voet van art. 359, tweede lid, Sv de redenen dienen op te geven die daartoe hebben geleid. [4]
13. Hetgeen de verdediging ter terechtzitting met betrekking tot het tenlastegelegde feit 1 naar voren heeft gebracht, kan naar mijn inzicht bezwaarlijk anders worden begrepen dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv.
14. Het hof heeft geoordeeld dat als feit van algemene bekendheid kan worden aangemerkt dat een fiets afkomstig is uit enig misdrijf als deze in goede staat verkeert en een open slot heeft waarbij de sleutel ontbreekt. Nu het hof niet heeft verwezen naar een bron waaruit dat gegeven kan worden afgeleid, is volgens het hof kennelijk sprake van een algemene ervaringsregel die eenieder geacht moet worden te kennen. Ook ligt in het oordeel van het hof besloten dat de wetenschap van deze ervaringsregel geen specialistische kennis veronderstelt en de juistheid daarvan redelijkerwijs niet voor betwisting vatbaar is. Aangezien het hof de juistheid van, en de bekendheid met, de algemene ervaringsregel niet ter terechtzitting aan de orde heeft gesteld, is het hof voorts kennelijk van oordeel dat zonder meer duidelijk is dat de voormelde ervaringsregel betrekking heeft op een gegeven van algemene bekendheid. Voor zover deze oordelen besloten liggen in de bewijsoverweging van het hof geven zij – in het licht van wat hiervoor in randnummer 12 is vooropgesteld – niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
15. Dan de vraag naar de begrijpelijkheid van de in de bewijsoverweging besloten liggende oordelen. Dat een aangetroffen fiets onder bepaalde omstandigheden op grond van algemene ervaringsregels als uit enig misdrijf afkomstig kan worden aangemerkt, is zonneklaar. Zo zal dat het geval zijn als een nieuwe fiets op een ongebruikelijke plaats en tijdstip, en voor een te lage prijs, te koop wordt aangeboden terwijl op die fiets duidelijke braaksporen zichtbaar zijn. Dan is immers redelijkerwijs niet voor betwisting vatbaar dat de kenmerken van de fiets, en de omstandigheden waaronder de fiets te koop wordt aangeboden, erop duiden dat de fiets van misdrijf afkomstig is en is voorts duidelijk dat eenieder geacht moet worden van deze uit de algemene ervaring volgende kennis op de hoogte te zijn. Dat feit van algemene bekendheid biedt dan grond voor het oordeel dat (het niet anders kan zijn dan dat) een onder dergelijke omstandigheden aangetroffen fiets een door misdrijf verkregen goed betreft als bedoeld in art. 417bis, eerste lid, aanhef en onder a, Sr.
16. Zo duidelijk als in het hiervoor gegeven voorbeeld ligt het in de voorliggende zaak niet. In de onderhavige zaak heeft het hof namelijk enkel de vaststelling dat de bij de verdachte aangetroffen fiets in goede staat verkeert en een open slot heeft waarbij de sleutel ontbreekt ten grondslag gelegd aan het oordeel dat het een feit van algemene bekendheid betreft dat een onder die omstandigheden aangetroffen fiets uit enig misdrijf afkomstig is. Deze door het hof in aanmerking genomen omstandigheid kan echter niet zonder meer het oordeel dragen dat die fiets op basis van een algemene ervaringsregel uit enig misdrijf afkomstig is. Weliswaar is het – zoals de verdachte blijkens zijn ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring die het hof als bewijsmiddel 4 heeft gebezigd – “wel raar dat er geen sleutel was en het slot open was”, maar een redelijkerwijs niet voor betwisting vatbaar gegeven dat de fiets om die reden van misdrijf afkomstig was, kan ik daarin nog niet zien, laat staan dat ten aanzien van dat gegeven zonder meer kan worden gesteld dat het voor eenieder bekend moet worden geacht.
17. Voor een begrijpelijk oordeel van het hof waren nadere vaststellingen nodig over de manier waarop, en de omstandigheden waaronder, de fiets bij de verdachte is aangetroffen die er – zoals in het hiervoor in randnummer 15 gegeven voorbeeld – onmiskenbaar op wijzen dat de fiets een door misdrijf verkregen goed betrof. Nu deze nadere vaststellingen ontbreken, is niet zonder meer begrijpelijk het oordeel van het hof dat sprake is van een evident feit van algemene bekendheid zodat de in de bewijsoverweging genoemde ervaringsregel ter terechtzitting niet ter sprake behoefde te worden gebracht. Dat brengt mee dat de middelen terecht zijn voorgesteld voor zover zij klagen over het door het hof in de motivering van de bewezenverklaarde schuldheling betrokken feit van algemene bekendheid dat “een fiets afkomstig is uit enig misdrijf als deze in goede staat verkeert en een open slot heeft waarbij de sleutel ontbreekt”.
18. Deze terecht voorgestelde klachten behoeven echter alleen tot cassatie te leiden als de bewezenverklaring van de onder feit 1 tenlastegelegde schuldheling niet toereikend is gemotiveerd na weglating van het deel van de bewijsoverweging van het hof over het aangemerkte feit van algemene bekendheid. [5] Het antwoord op de vraag of deze klachten mijns inziens daadwerkelijk tot cassatie moeten leiden, zal ik hierna geven bij de bespreking van de twee resterende klachten over de motivering van het onder feit 1 bewezenverklaarde.
Bespreking van de twee resterende klachten over de motivering van de bewezenverklaring van de onder feit 1 tenlastegelegde schuldheling
19. Bij de bespreking van de resterende klachten kan het volgende worden vooropgesteld. Art. 417bis, eerste lid, aanhef en onder a, Sr bepaalt – onder meer – dat hij die een goed voorhanden heeft terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van het goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof, zich schuldig maakt aan schuldheling. Voor een bewezenverklaring van schuldheling dient te worden vastgesteld dat het goed dat de verdachte voorhanden had een “door misdrijf verkregen goed” betrof. Als het gaat om heling van een goed dat van het misdrijf diefstal afkomstig is, zal bij de bewijsmiddelen vaak een aangifte van diefstal van het betreffende goed zijn opgenomen. [6] In het geval dat een bewijsmiddel ontbreekt waaruit direct kan worden afgeleid dat het een van diefstal afkomstig betreft, kan de rechter evenwel op basis van uit de bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden komen tot het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het betreffende goed van diefstal afkomstig, en dus door misdrijf verkregen, is. [7]
20. Voor een bewezenverklaring van schuldheling is voorts vereist dat is vastgesteld dat de verdachte “redelijkerwijs had moeten vermoeden” dat het goed dat hij voorhanden had door misdrijf was verkregen. Van het hier bedoelde vermoeden is sprake als de verdachte grof of aanmerkelijk onvoorzichtig is geweest ten aanzien van de herkomst van het goed. [8] De voor een bewezenverklaring van schuldheling vereiste onvoorzichtigheid bestaat in het geval dat de verdachte bij enig nadenken over de hem bekende gegevens betreffende het goed had kunnen vermoeden dat het goed van misdrijf afkomstig was en hij zonder nader onderzoek naar de herkomst van het goed niet had mogen handelen zoals is bewezenverklaard. [9] Voorts geldt dat voor een bewezenverklaring van schuldheling dient te worden vastgesteld dat de verdachte het in art. 417bis, eerste lid, aanhef en onder a, Sr bedoelde vermoeden had “ten tijde van het voorhanden krijgen” van het door misdrijf verkregen goed. [10] Wat van de verdachte aan in acht te nemen voorzichtigheid verwacht mag worden, is uiteraard afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
De eerste ‘resterende’ klacht (“door misdrijf verkregen goed”)
21. De middelen bevatten de klacht dat niet zonder meer uit de door het hof gebruikte bewijsvoering kan worden afgeleid dat, zoals het hof heeft bewezenverklaard, de bij de verdachte aangetroffen fiets een door misdrijf verkregen goed betrof.
22. In de onderhavige zaak blijkt niet direct uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen dat de fiets die de verdachte voorhanden had door misdrijf was verkregen. In zijn bewijsoverweging is het hof klaarblijkelijk van de misdadige herkomst van de fiets uitgegaan op basis van de vaststellingen dat i) de bij de verdachte aangetroffen fiets in goede staat verkeerde en ii) het slot van de betreffende fiets open was, maar niet was voorzien van een sleutel. [11] Het is de vraag of dat volstaat voor een toereikende motivering van de bewezenverklaring wat betreft het onderdeel dat de fiets een “door misdrijf verkregen goed” betrof. Bij de beantwoording van deze vraag is in het bijzonder van belang wat het hof blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft vastgesteld over de kenmerken van het betreffende slot op de fiets waarmee de verdachte is aangetroffen. Ik licht dat hieronder toe.
23. Uit het door het hof als bewijsmiddel 2 gebezigde proces-verbaal van bevindingen van een opsporingsambtenaar blijkt dat het aangetroffen geopende slot een vast aan de fiets bevestigd ‘U slot’ was waaraan geen braakschade was toegebracht. Wat precies met een ‘U slot’ is bedoeld, volgt niet uit de gebezigde bewijsmiddelen. Het hof gaat op de kenmerken van het slot in zijn bewijsoverweging ook niet nader in. Om die reden is niet duidelijk in hoeverre het ontbreken van de sleutel in het geopende slot indicatief is voor het van misdrijf afkomstig zijn van de fiets waaraan dat slot vast is bevestigd. Die onduidelijkheid is erin gelegen dat met de term ‘U slot’ redelijkerwijs meerdere typen sloten kunnen zijn bedoeld. Zo kan daarmee een vast aan een fiets bevestigd ringslot (meestal afkomstig van het merk AXA) zijn bedoeld. [12] Als dat het geval is, zou daarin steun kunnen worden gevonden voor de bewijsoverweging van het hof, omdat een ringslot doorgaans met een sleutel wordt geopend en de sleutel dan in de regel vast in het slot bevestigd blijft zo lang het ringslot open is. Het ontbreken van een sleutel in een geopend ringslot kan zodoende een indicatie zijn dat met het slot van de fiets is ‘geknoeid’ zodat deze vaststelling door het hof bij de motivering van de bewezenverklaring van het tenlastegelegde “door misdrijf verkregen goed” kan worden betrokken. In dat geval bestaat ruimte voor het aannemen van een begrijpelijk bewijsoordeel dat (het niet anders kan zijn dan dat) een onder dergelijke omstandigheden aangetroffen fiets een door misdrijf verkregen goed betreft als bedoeld in art. 417bis, eerste lid, aanhef en onder a, Sr. Of een dergelijk bewijsoordeel ook daadwerkelijk begrijpelijk zal worden geacht, is overigens allerminst zeker, nu eveneens verdedigbaar is dat daarvoor bijkomende, uit de bewijsvoering blijkende feiten en omstandigheden nodig zijn, zoals schade aan het slot en/of de fiets, een weg gevijld framenummer van de fiets, en/of het verkrijgen van de fiets onder verdachte omstandigheden. [13]
24. Als evenwel met de term ‘U slot’ is bedoeld te verwijzen naar een beugelslot met U-vorm dat vast aan het frame van een fiets kan worden bevestigd, draagt dat niet bij aan de begrijpelijkheid van de bewijsoverweging van het hof. Een dergelijk beugelslot moet immers van het frame van de fiets worden losgemaakt om de fiets met het slot daadwerkelijk vast te zetten, bijvoorbeeld doordat het slot door het wiel van de fiets wordt gestoken. Een beugelslot kan daardoor als geopend worden beschouwd als het niet het wiel of een ander deel van de fiets vastzet, maar enkel vast aan het frame van de fiets is bevestigd op de plek die bestemd is voor bevestiging van het slot tijdens het gebruik van de fiets als vervoermiddel. In dat geval behoeft het vast aan de fiets bevestigde U-vormige beugelslot echter niet te zijn voorzien van een daarin gestoken sleutel. In de regel is dat volgens mij zelfs niet het geval. Van een dergelijk geopend ‘U slot’ waarin geen sleutel is gestoken kan dus niet worden gesteld dat het zonder meer steun geeft aan de conclusie dat de fiets waaraan het vast is bevestigd van misdrijf afkomstig is. Heeft het hof in de bewijsvoering bedoeld te verwijzen naar een U-vormig beugelslot, dan is onbegrijpelijk waarom het ontbreken van de sleutel in het geopende slot een indicatie is dat de fiets van misdrijf afkomstig is.
25. Aangezien met de term ‘U slot’ niet evident enkel een vast aan de fiets bevestigd ringslot kan zijn bedoeld, en het hof geen nadere vaststellingen over de kenmerken van het geopende slot heeft gedaan, is de bewezenverklaring mijns inziens ontoereikend gemotiveerd wat betreft het tenlastegelegde onderdeel “door misdrijf verkregen goed”. Voor zover de middelen hierover klagen, zijn zij terecht voorgesteld.
26. Dat brengt mee dat geen grond bestaat om cassatie achterwege te laten vanwege de terecht voorgestelde klachten die de middelen richten tegen het in de bewijsoverweging van het hof aangemerkte feit van algemene bekendheid, welke overweging in het arrest is opgenomen naar aanleiding van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verdediging daarover ter terechtzitting heeft ingenomen.
27. Nu uit het vorenstaande volgt dat cassatie vanwege de hiervoor besproken klachten van de middelen naar mijn inzicht is aangewezen, zou de resterende klacht van de middelen onbesproken kunnen blijven. Niettemin bespreek ik voor volledigheid die klacht hieronder nog kort.
De tweede ‘resterende’ klacht (“redelijkerwijs had moeten vermoeden”)
28. De middelen bevatten ten slotte de klacht dat uit de door het hof gebruikte bewijsvoering niet zonder meer kan worden afgeleid dat, zoals het hof heeft bewezenverklaard, de verdachte “redelijkerwijs had moeten vermoeden” dat de bij hem aangetroffen fiets door misdrijf was verkregen.
29. Zoals ik hiervoor in randnummer 20 reeds heb opgemerkt, komt het aan op de uit de bewijsvoering af te leiden omstandigheden van het geval bij de beantwoording van de vraag of de verdachte heeft gehandeld met de grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid die voor een bewezenverklaring van schuldheling is vereist. In de onderhavige zaak heeft het hof niet onbegrijpelijk uit de als bewijsmiddel 4 gebezigde verklaring van de verdachte kunnen afleiden dat de verdachte heeft erkend dat het slot van de fiets open was en niet was voorzien van een sleutel. Anders dan in HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:647 en in HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:213 doet zich in deze zaak daarom niet het geval voor waarin de bewijsvoering van het hof te weinig grond biedt voor het oordeel dat de verdachte wist van ‘gerommel’ met een slot ten tijde van het gebruiken van een geleend vervoermiddel dat door misdrijf was verkregen. [14]
30. Biedt de uit de bewijsmiddelen af te leiden wetenschap van de verdachte over het geopende slot en de ontbrekende sleutel voldoende grond voor het oordeel dat de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de fiets door misdrijf was verkregen? Dat is volgens mij niet zonder meer het geval gelet op HR 17 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:611. In dit arrest uit 2018 slaagde naar het oordeel van de Hoge Raad het middel dat klaagde over de motivering van het bewezenverklaarde onderdeel “redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof”. [15] Het hof was in die zaak uitgegaan van de juistheid van de verklaring van de verdachte dat hij een – naar bleek: als gestolen geregistreerde – elektrische fiets had geleend en dat hij had gezien dat het (ring)slot van die fiets ontbrak. Volgens de Hoge Raad kon in dat licht niet zonder meer uit de bewijsvoering van het hof worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de elektrische fiets in die mate was tekortgeschoten in zijn onderzoeksplicht dat hij met de voor schuldheling vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid had gehandeld.
31. Uit HR 17 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:611 volgt mijns inziens dat de uit de bewijsmiddelen blijkende wetenschap van de verdachte dat het ringslot van een elektrische fiets ontbrak niet zonder meer voldoende is voor een toereikend gemotiveerde bewezenverklaring van het voor schuldheling vereiste handelen met aanmerkelijke onvoorzichtigheid ten aanzien van een geleende fiets. Als dat het geval is, dan komt het mij voor dat de in de onderhavige zaak blijkens de gebezigde bewijsmiddelen vastgestelde wetenschap van de verdachte dat de fietssleutel ontbreekt in het geopende slot van een geleende niet-elektrische fiets [16] evenmin voldoende grond biedt voor een toereikend gemotiveerde bewezenverklaring van de vereiste onvoorzichtigheid. [17] Dat brengt mee dat de middelen ook terecht zijn voorgesteld voor zover zij klagen dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de bij hem aangetroffen fiets door misdrijf was verkregen.
V. Slotsom
32. De middelen slagen.
33. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
34. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging, en te dien aanzien tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak in zoverre op het bestaande beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.In de schriftuur staat onder middel II dat “het bewijs niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid”, maar in redelijkheid leidt lezing daarvan tot de klacht zoals die in de hoofdtekst door mij is weergegeven.
2.HR 11 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0291,
3.HR 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:522,
4.HR 11 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0291,
5.Vgl. HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:916 (rov. 2.5).
6.Zie bijv. de door het hof gebezigde bewijsmiddelen zoals weergegeven in HR 19 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1808 (rov. 2.2.2) en HR 17 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:611 (rov. 2.2.2). Dat een goed door diefstal is verkregen kan ook direct uit een als bewijsmiddel gebezigd proces-verbaal van bevindingen blijken waarin wordt beschreven dat melding is gedaan dat bepaalde gestolen goederen zijn aangetroffen; vgl. de door het hof gebruikte bewijsmiddelen zoals weergegeven in HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1097,
7.HR 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2484 (rov. 2.4). Door welk specifiek misdrijf een goed is verkregen behoeft bij heling niet te worden tenlastegelegd en bewezenverklaard; vgl. Noyon/Langemeijer/Remmelink,
8.HR 17 december 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9146,
9.Over het ernstig tekortschieten van de verdachte in een op grond van de omstandigheden van het geval aangenomen onderzoeksplicht naar de herkomst van het goed, zie bijvoorbeeld: HR 19 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1808 (rov. 2.3); HR 24 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8631,
10.HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:97,
11.Ik laat hier het door het hof aangemerkte feit van algemene bekendheid buiten beschouwing, aangezien ik hiervoor heb uiteengezet dat het hof de, kennelijk door hem gebezigde, algemene ervaringsregel mijns inziens niet als een algemeen bekend feit in de bewijsoverweging had kunnen gebruiken.
12.Dat ringslot is geopend te zien als een omgekeerde ‘U’ wanneer het is bevestigd boven een wiel – doorgaans het achterwiel – van een fiets.
13.Vgl. de verwerping van de middelen in HR 8 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2484 (rov. 2.4) en de daaraan voorafgaande conclusie van mijn ambtgenoot Spronken (ECL:NL:PHR:2015:1364, randnummers 8-12) waarin zij concludeert dat de middelen slagen. Zie ook HR 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:2041 (niet gepubliceerd; HR: 81 RO).
14.In ECLI:NL:HR:2014:647 ging het om het rijden van een stukje op een schoolplein met een kennelijk kort voor dat doel van een ander geleende bromfiets waarin het contactslot ontbrak. In ECLI:NL:HR:2015:213 ging het om het fietsen op een geleende fiets waarvan het ringslot was doorgeslepen.
15.HR 17 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:611 (rov. 2.3).
16.Zie met name bewijsmiddel 4, de ter ’s hofs terechtzitting afgelegde verklaring van de verdachte: “Ik heb de fiets […] geleend”.
17.Steun voor deze gevolgtrekking zie ik ook gelegen in HR 8 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5957,