Uitspraak
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 18 juni 2014, nr. BK‑12/00432, betreffende een beschikking tot aansprakelijkstelling ingevolge de Invorderingswet 1990.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van belanghebbende tegen een beschikking tot aansprakelijkstelling op grond van de Invorderingswet 1990, met betrekking tot twee naheffingsaanslagen van december 2000 en juli 2002. Het Hof Den Haag had geoordeeld dat de verjaringstermijn verlengd moest worden met de termijn waarin hoger beroep openstond tegen een vonnis in een verzetsprocedure tegen tenuitvoerlegging van een dwangbevel.
De Hoge Raad stelt dat het Hof een onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd door te oordelen dat de verjaringstermijn verlengd wordt met de hogerberoepstermijn tegen een vonnis dat niet bij voorraad uitvoerbaar is verklaard. Volgens de Hoge Raad eindigt de schorsende werking van het verzet met het vonnis waarbij op het verzet is beslist, en herleeft deze alleen als het vonnis bij voorraad niet uitvoerbaar is verklaard en daartegen tijdig hoger beroep is ingesteld.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en vermindert de aansprakelijkstelling tot het bedrag van de naheffingsaanslag van juli 2002, omdat de aanslag van december 2000 verjaard is. Tevens veroordeelt de Hoge Raad de Staatssecretaris van Financiën in de proceskosten van het cassatiegeding en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en vermindert de aansprakelijkstelling tot €223.186 wegens onjuiste toepassing van de verjaringstermijn.