Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het vijfde middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Slotsom
5.Beslissing
29 september 2015.
Hoge Raad
In deze zaak staat het cassatieberoep van de verdachte centraal tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een strafzaak over de zogeheten rioolputmoord. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 29 jaar en 6 maanden.
De Hoge Raad oordeelt dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden, mede doordat de stukken te laat door het hof werden ingezonden en het arrest meer dan zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep werd gewezen. Dit leidt tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.
De overige middelen van cassatie worden verworpen omdat zij geen aanleiding geven tot cassatie en geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest uitsluitend voor zover het de strafduur betreft en vermindert de gevangenisstraf tot 29 jaar. De overige beslissingen, waaronder de toewijzing van schadevergoedingen aan benadeelden, blijven in stand.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot 29 jaar wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.