Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Slotsom
4.Beslissing
29 september 2015.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 254 hennepplanten in een woning te Hilversum in de periode van 1 oktober tot en met 1 december 2012. Het hof baseerde zijn oordeel mede op het feit dat de verdachte wist van de hennepplantage en zich daar niet van had gedistantieerd.
De verdediging voerde aan dat niet kon worden bewezen dat de verdachte de hennepplantage opzettelijk aanwezig had gehad, noch dat sprake was van nauwe en bewuste samenwerking die vereist is voor medeplegen. De Hoge Raad overwoog dat voor medeplegen een nauwe en bewuste samenwerking vereist is, waarbij een wezenlijke bijdrage aan het delict moet worden geleverd.
De Hoge Raad oordeelde dat het enkele weten van de aanwezigheid van de hennepplantage en het niet distantiëren daarvan onvoldoende is om medeplegen aan te nemen. De motivering van het hof was ontoereikend om het medeplegen te bewijzen. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting op het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van medeplegen en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.