Conclusie
Inbeslagneming:
Volgnummer 2:
Volgnummer 3:
eerste middelbetreft de motivering van de onder 1 bewezenverklaarde voorbereiding van moord. Ik citeer: “(…) aan het bewijs van het bestemd zijn tot het begaan van moord bepaaldelijk eisen moeten worden gesteld en dat de rechter in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht moet geven aan de vraag op grond waarvan uit de bewijsvoering met voldoende bepaaldheid blijkt dat het misdadige doel dat de verdachte voor ogen stond, als moord moet worden aangemerkt." De bewijsmiddelen sluiten volgens de steller van het middel niet uit dat verdachte in een opwelling iets heeft geroepen en later, thuis, tot het inzicht is gekomen dat het ‘plan’ zeker niet moest worden uitgevoerd en daarom het wapen en de munitie heeft weggeborgen in de koelkast in de schuur.
NJ2014/338).
tweede en derde middelbetreffen de motivering van de bewezenverklaring van feit 5 primair.
tweede middelbevat de klacht dat het hof het verweer dat geen sprake is van medeplegen maar van medeplichtigheid, onbesproken heeft gelaten. Hoewel de steller van het middel nalaat te vermelden op welke passage in de pleitnotities wordt gedoeld, meen ik dat het zoekplaatje beperkt is. Punt 67 van de aan het proces-verbaal van de zitting van het hof van 10 september 2015 gehechte pleitnotities houdt in dat de gedragingen van verdachte “op zijn hoogst gekwalificeerd kunnen worden als medeplichtig zijn aan het hebben van een hennepkwekerij. Gesteld zou kunnen worden [dat; PV] [verdachte] enkel de gelegenheid heeft verschaft. Ook voor wat betreft alleen of tezamen en in vereniging aanwezig hebben is naar de mening van [verdachte] geen sprake.” Ik herken hier geen stellig verweer inzake de medeplichtigheid in, maar een volledige ontkenning van elke betrokkenheid.
derde middelbevat de klacht dat de bewijsmiddelen onvoldoende inhouden dat de in de kwekerij aangetroffen stof hennep als bedoeld in lijst II van de Opiumwet is.