Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
29 september 2015.
Hoge Raad
De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor poging tot moord en bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht, met een gevangenisstraf van zes jaren en oplegging van de maatregel terbeschikkingstelling. Tijdens de procedure verzocht zijn advocaat om aanhouding van de zaak wegens onduidelijkheid over vergoeding van rechtsbijstand door de Raad voor Rechtsbijstand. Dit verzoek werd door het hof afgewezen, waarna de advocaat de verdediging neerlegde.
De verdachte gaf aan geen andere raadsman te zoeken en wilde dat de zaak werd aangehouden totdat de vergoeding geregeld was. Het hof oordeelde dat de belangen van de strafrechtspleging en de organisatie van de rechtspraak zwaarder wogen dan het belang van de verdachte op aanwezigheid van zijn advocaat. De zaak werd inhoudelijk behandeld zonder dat de verdachte feitelijk zijn recht op rechtsbijstand kon uitoefenen.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onjuist heeft geoordeeld door het recht op rechtsbijstand te beperken tot het formele recht en niet het feitelijk kunnen uitoefenen daarvan. Gelet op de ernst van de misdrijven en het belang van de verdachte was rechtsbijstand ter terechtzitting essentieel. Door afwijzing van het aanhoudingsverzoek is artikel 6.3 onder b en c EVRM geschonden. De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde behandeling.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens schending van het recht op rechtsbijstand en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.