Conclusie
eerste middelklaagt dat het Hof aan de zonder rechtsbijstand ter terechtzitting verschenen, en voorlopig gehechte, verdachte ten onrechte geen raadsman heeft toegevoegd, althans heeft verzuimd te onderzoeken of daartoe noodzaak bestond, en dat het Hof er voorts geen blijk van heeft gegeven er op te hebben toegezien dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces is nageleefd.
NJ2010/143, m.nt. Schalken nog eens buiten twijfel gesteld dat de feitenrechter in dit verband een grote verantwoordelijkheid heeft om de verdachte te informeren over zijn rechten en over de consequenties en risico’s van zijn keuze voor het doen van afstand van rechtsbijstand, ook ten einde te waarborgen dat door het doen van afstand de ‘fairness’ van het strafproces niet tekort wordt gedaan. [11] In voormeld arrest uit 2009 was sprake van een bijzondere zaak waarin de kwetsbare en net meerderjarig geworden verdachte (Julian C.) te kennen had gegeven op bijstand van een raadsman geen prijs te stellen, zulks terwijl hem de moord op een 7-jarige jongen was tenlastegelegd. Hier kwam de rechterlijke verantwoordelijkheid in relatie tot de wens van de (jonge en kwetsbare) verdachte om zelf de verdediging te voeren volop voor het voetlicht. De Hoge Raad overwoog:
NJ2012/29 laat zich met de onderhavige zaak goed vergelijken. Vervolging vond plaats ter zake van de onttrekking van een minderjarige aan het wettig gezag, terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaren oud was. Nadat het procesverloop in hoger beroep de horde van vijf terechtzittingen en vier verschillende advocaten had weten te nemen, verscheen de verdachte op de zesde zitting zonder advocaat. De verdachte verklaarde toen zich verder zelf te willen verdedigen, dus buiten aanwezigheid van een raadsman om, en gaf als zijn wens te kennen dat de zaak werd voortgezet. Na beraad in raadkamer, werd voortgegaan met de behandeling van de zaak en werden het verzoek tot het horen van getuigen en het verzoek tot invrijheidstelling van de verdachte besproken. Op de laatste zitting, waarop de zaak inhoudelijk werd behandeld, verscheen de (nog altijd voorlopig gehechte) verdachte wederom zonder raadsman. Het desbetreffende proces-verbaal houdt in:
Mijn raadsvrouw is niet aanwezig. Zij was van mening dat haar aanwezigheid schadelijk zou zijn voor de zaak. Ik kan mezelf goed verdedigen. Ik wil graag dat de zaak vandaag wordt behandeld.
De voorzitter wijst verdachte op zijn recht op rechtsbijstand.
De verdachte handhaaft zijn verzoek tot voortzetting van de behandeling.
De voorzitter deelt hem mee dat met de behandeling van de zaak kan worden voortgegaan, maar dat het hof geen eindarrest zal wijzen (doch de behandeling zal heropenen) indien verdachte binnen één week na sluiting van het onderzoek (welke sluiting naar verwachting vandaag plaats vindt) doet weten toch alsnog een raadsman te wensen.”
tweede middelklaagt dat het Hof de bezwaren die de verdachte heeft aangevoerd op ontoereikende, innerlijk tegenstrijdige gronden heeft verworpen, zulks tegen de omstandigheid dat ongevraagd en onverhoeds filmbeelden van de verdachte zijn gemaakt en later aan getuigen zijn getoond, althans dat het Hof aan het aangevoerde vormverzuim ten onrechte geen enkel rechtsgevolg als bedoeld in art. 415, vijfde lid, SvA heeft verbonden.