Belanghebbende betaalde op 1 oktober 2010 belasting van personenauto's en motorrijwielen (BPM) op aangifte. Bij brief van 27 april 2012 maakte hij bezwaar, dat door de Inspecteur wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk werd verklaard. Het Hof Amsterdam oordeelde dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was, omdat geen besluit van een bestuursorgaan ten grondslag lag en er geen rechtsmiddelverwijzing verplicht was. Tevens wees het Hof op de toelichting bij het aangiftebiljet waarin de bezwaarprocedure werd vermeld.
De Hoge Raad stelt dat het ontbreken van een rechtsmiddelenclausule bij voldoening op aangifte niet automatisch betekent dat overschrijding van de bezwaartermijn niet verschoonbaar is. Het Hof had moeten onderzoeken of belanghebbende redelijkerwijs wist dat binnen zes weken bezwaar moest worden gemaakt. Dit onderzoek ontbrak, waardoor het oordeel van het Hof op een onjuiste rechtsopvatting berustte en nadere motivering ontbrak.
Verder oordeelde het Hof dat geen schending van de hoorplicht had plaatsgevonden omdat hoorgesprekken op 4 mei en 15 juni 2012 hadden plaatsgevonden. Dit oordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk, waardoor klachten hierover faalden. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond, vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling. De Staatssecretaris van Financiën wordt veroordeeld in de proceskosten van het cassatieberoep.