Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
3.Beoordeling van het vijfde middel
4.Beoordeling van de overige middelen
5.Beslissing
13 oktober 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over het wederrechtelijk binnendringen en vertoeven in een pand aan de Koningin Wilhelminalaan 7 te Utrecht. De verdachte werd veroordeeld wegens kraken, omdat het hof oordeelde dat het gebruik van het pand door de rechthebbende was beëindigd.
De verdediging voerde aan dat het pand niet als beëindigd in gebruik kon worden beschouwd, omdat het in bruikleen was gegeven aan Antikraak B.V. en delen van het pand waren verhuurd aan startende ondernemers. Het hof stelde echter vast dat het gekraakte gedeelte nog niet was verhuurd en feitelijk niet als kantoorgebouw werd gebruikt, waardoor het gebruik door de rechthebbende was beëindigd.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had gegeven aan het begrip "waarvan het gebruik door de rechthebbende is beëindigd" in art. 138a, eerste lid, Sr. Het hof had de feitelijke situatie beslissend geacht en dit oordeel was niet onbegrijpelijk. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de veroordeling van de verdachte in stand bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het gebruik van het pand door de rechthebbende was beëindigd en verwerpt het cassatieberoep.