Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het zesde middel
3.Beoordeling van het dertiende middel
4.Beoordeling van de overige middelen
5.Slotsom
6.Beslissing
13 oktober 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld voor het bezit en gebruik van geldbedragen afkomstig uit misdrijven. Het hof had het bewijs onder 12 onvoldoende gemotiveerd, waardoor de Hoge Raad dit deel vernietigt en verdachte daarvan vrijspreekt. Dit tast de rest van de bewezenverklaring niet aan.
Daarnaast klaagde de verdediging over de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Het hof oordeelde dat de vertraging deels door verzoeken van de verdediging werd veroorzaakt en zag geen overschrijding. De Hoge Raad vond dit oordeel niet begrijpelijk, gelet op de lange duur van ruim vijf jaar tussen hoger beroep en einduitspraak, en stelde vast dat de vertraging niet volledig door de verdediging kon worden verantwoord.
Om doelmatigheidsredenen besloot de Hoge Raad de zaak zelf af te doen, sprak verdachte vrij van het onder 12 tenlastegelegde en verminderde de opgelegde gevangenisstraf van vier jaar naar drie jaar en zes maanden. De overige middelen werden verworpen omdat zij geen aanleiding gaven tot cassatie.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van een deel van de tenlastelegging en de gevangenisstraf verminderd tot drie jaar en zes maanden.