Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het vierde middel
3.Beoordeling van het derde, het vijfde en het zesde middel
4.Slotsom
5.Beslissing
27 oktober 2015.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag inzake witwassen en medeplegen van oplichting. Het Hof had bewezen verklaard dat verdachte geldbedragen had verworven en voorhanden had die afkomstig waren uit oplichting en andere misdrijven.
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof onvoldoende had gemotiveerd dat verdachte de werkelijke aard, herkomst en verplaatsing van het geldbedrag had verborgen of verhuld, zoals vereist voor het delict witwassen onder art. 420bis, eerste lid aanhef en onder a Sr. Het enkele voorhanden hebben van het geldbedrag is onvoldoende.
Verder stelde de Hoge Raad dat het oordeel van het Hof dat het verwerven en voorhanden hebben van het geldbedrag witwassen oplevert, ontoereikend was gemotiveerd omdat niet was aangetoond dat verdachte gedragingen had gericht op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest uitsluitend voor het onderdeel witwassen en de strafoplegging en verwees de zaak terug naar het Hof Den Haag voor hernieuwde berechting en beslissing. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest voor witwassen wegens onvoldoende motivering en wijst zaak terug voor hernieuwde berechting.