Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
4.Beoordeling van het derde middel
5.Slotsom
6.Beslissing
24 november 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die op 30 september 2012 in een drukke uitgaansgelegenheid in Rotterdam een jonge vrouw onverhoeds tweemaal in haar billen kneep, ondanks dat zij duidelijk had gemaakt dit niet te willen. De vrouw en een getuige verklaarden dat de verdachte opdringerig was en haar zelfs sloeg toen zij hem aansprak.
Het Hof Den Haag kwalificeerde deze gedragingen als ontuchtige handelingen in de zin van art. 246 Sr Pro en veroordeelde de verdachte tot een taakstraf. De verdachte stelde cassatie in tegen deze kwalificatie en de strafoplegging.
De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het Hof dat sprake is van ontuchtige handelingen niet onjuist is en voldoende gemotiveerd. Wel constateerde de Hoge Raad een kennelijke vergissing bij de strafoplegging: het Hof ging abusievelijk uit van een onvoorwaardelijke taakstraf in plaats van een voorwaardelijke taakstraf. Deze misslag werd door de Hoge Raad hersteld.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep voor het overige en bevestigde dat de verdachte veroordeeld is tot een voorwaardelijke taakstraf van veertig uur met een proeftijd van twee jaar. Hiermee is het oordeel van het Hof bekrachtigd en de strafoplegging gecorrigeerd.
Uitkomst: De verdachte is veroordeeld voor ontuchtige handelingen en opgelegd een voorwaardelijke taakstraf van veertig uur met een proeftijd van twee jaar.