Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof ten aanzien van feit 2 ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de verdachte de aangeefster heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen. Volgens de steller van het middel heeft het hof onvoldoende gemotiveerd beslist op het desbetreffende verweer van de verdediging. Gelet hierop, is de bewezenverklaring van feit 2 onvoldoende met redenen omkleed, aldus de steller van het middel.
NJ2012/573, m.nt. Schalken.
NJ2012/573, m.nt. Schalken. Gelet op de aard van de gedraging en de uit de bewijsvoering blijkende feiten en omstandigheden, acht ik dat oordeel niet onbegrijpelijk. Evenmin acht ik onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat een dergelijke handelwijze in strijd is met “de sociaal-ethische norm”. Daarbij neem ik in aanmerking dat in de overwegingen van het hof ligt besloten dat de verdachte met zijn handelwijze opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke en seksuele integriteit [8] van de aangeefster, ook nadat de aangeefster kenbaar had gemaakt daarvan niet te zijn gediend. Het hof is terecht niet meegegaan in het betoog van de verdediging dat een dergelijke handelwijze in een discotheek de grenzen van “het sociaal-ethisch betamelijke” niet overschrijdt. Aan het ontuchtige karakter van de handelingen doet niet af dat dergelijke handelingen in drukke discotheken mogelijk vaker voorkomen. Een andere opvatting zou betekenen dat de sociaal-ethische normen zich voegen naar hetgeen feitelijk plaatsvindt, hetgeen in zijn algemeenheid een bedenkelijke benadering is. Dat neemt niet weg dat in de loop van de tijd verschuivingen kunnen optreden in hetgeen als gedrag wordt aangemerkt dat binnen de grenzen van het sociaal-ethische normenpatroon valt. Maar niet kan worden volgehouden dat het herhaaldelijk tegen de wil van de betrokkene in de billen knijpen van een jonge vrouw naar de huidige opvattingen binnen deze grenzen valt, ook niet in een drukke discotheek.
tweede middelbevat de klacht dat het hof onvoldoende gemotiveerd heeft beslist op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging, voor zover inhoudende dat de verklaringen van getuige [betrokkene 2] niet voor het bewijs dienen te worden gebruikt.
derde middelbehelst de klacht dat het hof op onjuiste wijze toepassing heeft gegeven aan art. 423, vierde lid, Sv, aangezien het hof heeft bepaald dat van de door de politierechter opgelegde taakstraf van veertig uren
voorwaardelijkeen deel van dertig uren
onvoorwaardelijkis opgelegd ter zake van feit 1.